Posts Tagged ‘monarchie’

De Februarirevolutie van 1917 was een klassiek voorbeeld van zelfgeorganiseerde proletarische klassenstrijd van het hoogste potentieel. Het proletariaat van Petrograd ging zelfstandig de strijd aan en verpletterde het verrotte tsaristische regime. Geen enkele partij of vakbond had tot deze enorme massastrijd opgeroepen. De geproletariseerde mensen van de toenmalige Russische hoofdstad gaven een goed voorbeeld van de directe sociale zelforganisatie, waarin de directe actie en het organiseren van deze actie samenvallen. Er werd geen democratische stemming voor de actie georganiseerd, de actie was de praktische stemming. Alle groot- en kleinburgerlijke burgermannetjes – met inbegrip van de meeste partijmarxisten – kunnen hierin slechts “spontaniteit” zien maar niet de directe sociale zelforganisatie van het strijdende proletariaat.

In deze directe actie van het Petrogradse proletariaat heeft de in de totale klasse betrekkelijk dunne laag van bewuste sociale revolutionaire arbeidSTers een zeer belangrijke rol gespeeld, die tevens de proletarische vleugels van het marxisme en het anarchisme vertegenwoordigde. Die heeft de meerderheid van de klasse geïnspireerd tot de daad en aan deze daad richting en oriëntatie toegevoegd.

Vanzelfsprekend is de directe sociale zelforganisatie en de directe massaorganisatie van het proletariaat niet voldoende voor de overwinning van de sociale revolutie d.w.z. de opheffing van de politiek en de warenproductie en daarmee de zelfopheffing van het proletariaat. Opheffing van de warenproductie betekent het overbrengen van de productiemiddelen in de totaal maatschappelijke beschikkingsmacht en productieve activiteit voor de directe individuele en collectieve behoeften – en niet voor een anonieme markt waar de mensen op van elkaar gescheiden productieplaatsen geproduceerde waren ruilen tegen geld en het geld ruilen voor productiemiddelen en consumptiegoederen. Totaalmaatschappelijke productie betekent niet staatsproductie omdat de staat een hiërarchisch-bureaucratisch geweldsapparaat is en staatseigendom van industriële productiemiddelen slechts beschikkingsmacht van de staatsbureaucratie kan betekenen. Het proletariaat wordt door nationalisaties gereproduceerd als van de productiemiddelen gescheiden mensenmenigte die zijn collectieve arbeidskracht aan de staat moet verhuren – dit echter individueel.

Het partijmarxisme met zijn verstatelijking van productiemiddelen reproduceerde als politieke stroming de politiek als organisatie van de maatschappij door de staat en de warenproductie in staatskapitalistische vorm. Maar ook niet weinig sociaal revolutionaire arbeidSTers in toenmalige Rusland hadden staatskapitalistische illusies en volgden de kleinburgerlijke radicale politici, temeer er toen geen praktische proletarische ervaringen met een totaal staatskapitalisme bestonden, hoewel het anarchisme deels zeer duidelijk deze sociaalreactionaire tendensen van het marxisme aan het licht had gebracht.

De totaalmaatschappelijke productie kan ook nooit ​​uit een associatie van kleine privéeigenaren bestaan. De post-kapitalistische klassen- en stateloze maatschappij kan zich ook niet op basis van de oude oorspronkelijke prekapitalistische dorpsgemeenschappen zoals bijvoorbeeld de Allmende of de Mir ontwikkelen – zelfs als mens daarbij het geld “afschaft” en loonarbeid “verbiedt”. Klein eigendom betekent altijd kleinburgerlijk individualisme, concurrentie en sociale differentiatie in kapitaal aan de ene kant, in dit geval grote boerINNen, en aan de andere kant loonarbeid, knechten en meiden. De sociale differentiatie van de Sovjet-boeren tijdens de N.E.P. (1921-1928) en de ontwikkeling van een boeren warenproductie en embryonale loonarbeid aan de andere kant, bevestigen dit eenduidig.

Vermaatschappelijking van de landbouwproductie betekent collectivisatie van de grond. Maar slechts een minderheid van de kleine boeren en het landelijke proletariaat was tijdens de Russische revolutie klaar voor een dergelijke collectivisatie. Daarom was in Rusland een zegevierende sociale revolutie vanwege de privéproducerende boeren onmogelijk. De weinige vrijwillige coöperaties voor de verstatelijking van de landbouw van 1929 waren een duidelijk teken hiervan. Coöperaties kunnen in dit geval slechts een kleinburgerlijk-collectieve vorm van warenproductie betekenen. Anarchistische en deels ook Marxistische sociaalromantici willen gewoonweg niet begrijpen dat de prekapitalistische kleinburgerlijke productieverhoudingen nooit deugen voor de opbouw van het postkapitalistisch communisme! Het marxisme bekritiseerde en bekritiseert terecht op deze kleinburgerlijke tendenties van het anarchisme. Tegenwoordig zijn zowel de anarchistische zelfbeheerideologie als de idealisering van de kleinburgerlijk-collectieve vormen van industriële productie gevaarlijke geestelijke wapens tegen het proletariaat. Wat interesseert het de anarchistische kleinburgers het feit dat bij productie in “zelfbeheer” er nog steeds waren voor de markt worden geproduceerd en dat de waar-geld relatie het menselijk denken en handelen bepaalt?

Naast de agrarische boerenopstand, die naar de transformatie van de grote landgoederen in kleine eigendom streefde, kon ook het instinctieve streven van de arbeidSTersklasse naar de collectivisatie van de industriële productie alleen maar tot een kleinburgerlijke collectieve warenproductie leiden. Want de kleinburgerlijke productieverhoudingen in de landbouw betekenen dat de landbouwproducten slechts ruilobjecten kunnen zijn die voor industriële producten ingewisseld kunnen worden – ook als menS het geld zou “afschaffen”. Dan zou er evengoed slechts een prekapitalistische ruilhandel geweest zijn – voor een korte tijd, want de uitwisseling van producten reproduceert noodzakelijk het geld als verzelfstandigde uitdrukking van de ruilwaarde. Dat wil zeggen dat in de ruil met het dorp ook bij een kleinburgerlijke collectivisatie van de industriële productie de producten daarvan noodzakelijkerwijs waren zouden zijn.

Het proletariaat kon dus objectief de kleinburgerlijke warenproductie niet opheffen, zelfs niet bij onteigening van het grootkapitaal, omdat de boerenmeerderheid van de bevolking tijdens hun agrarische opstand als deel van de Russische Revolutie de schepping van het kleine privé-eigendom nastreefde. Bovendien, leidt het instinctieve streven van de arbeidSTers naar de collectieve overname van industriële productiemiddelen onvermijdelijk tot de kleinburgerlijke collectieve vorm van de warenproductie als dit niet door het bewuste initiatief van de op dit punt heldere proletarische revolutionairen, omslaat in theoretische en praktische kritiek op sociaaleconomische categorieën als ruil, waren en geld. Maar bij de toenmalige Russische en internationale proletarische revolutionairen was de theoretische kennis van de warenproductie geringer dan heden. Maar zonder de theoretische kritiek op warenproductie leidt het alleen maar instinctieve proletarische streven naar collectivisatie van de industriële productie in praktijk onvermijdelijk tot kleinburgerlijk-collectieve productie en mentaal tot de ideologie van zelfbeheer. Tijdens de Russische Revolutie was de privékapitalistische en staatskapitalistische contrarevolutie in staat om met inzet alle middelen het ontstaan ​​van een kleinburgerlijk-collectieve industriële productie te voorkomen. Maar de ideologie van zelfbeheer in vervolg op de Februarirevolutie werd instinctief door grote delen van het proletariaat gereproduceerd terwijl de meest verschillende anarchistische en linksbolsjewistische stromingen een hele theorievorming op dit kleinburgerlijke fundament oprichtten.

Alleen onverbeterlijke kleinburgerlijk-anarchistische sociaal-romantici kunnen tegenwoordig na al deze praktische ervaring nog steeds geloven dat menS kan op basis van kleine eigenaren – los van de vraag of het nu individuele of coöperatieve eigenaren zijn – en de noodzakelijke ruil van goederen tussen hen, het geld zou kunnen “afschaffen” en de loonarbeid zou kunnen “verbieden”. Ruilhandel betekent kleinburgerlijke warenproductie en kleinburgerlijke warenproductie betekent in kiemvorm kapitaal en loonarbeid. Ruilhandel in natura kon in de praktijk slechts een primitieve vorm van warenproductie en loonarbeid zijn. Maar stellen wij ons volgens de sociaalromantische voorstellingen van onze kleinburgerlijke anarchisten voor een moment een gemeenschap voor met individuele en coöperatieve kleine eigenaren die het geld heeft “afgeschaft” en loonarbeid “verboden”. Er gaat ooit het volgende gebeuren: een iets succesvollere boer slaagt er door zijn individuele arbeid en die van “zijn” familie niet meer in zijn hele land te bebouwen. Wat nu? Maar wacht, daar zijn twee boeren in de buurt, die van hun grond niet echt kunnen leven. Zij zouden toch bij hem kunnen werken, natuurlijk niet voor het geld, want dat is “afgeschaft”. Aldus werken de niet succesvolle boeren geheel vrijwillig voor de succesvollere boeren voor betaling in natura. Maar dat moet verboden worden! Verbod op het sociaaleconomische verschijnsel van de loonarbeid die met elementair geweld uit de kleinburgerlijke warenproductie opgroeit!

Evenzo is het ook met het geld, als verzelfstandigde vorm van ruilwaarde. De ruil van goederen genereert ook de behoefte aan de verzelfstandigde ruilwaarde. De ruilwaarde is de maatschappelijk gemiddelde productietijd van een product en de prijs is de ruilwaarde in geldvorm. Stellen wij ons nu de stad voor van het kleinburgerlijk-anarchistische paradijs van individuele en coöperatieve kleinburgers waarin het geld werd “afgeschaft”. Dit zou dan tot volgende ontwikkelingen leiden: de individuele gastheer van een restaurant-café wil weer eens zijn haar laten knippen. Hij begeeft zich naar de kappSTerscoöperatie. Hij heeft de kappSTers een krat bier meegebracht waarvoor een lid van de coöperatie zijn haar knipt. De coöperatie overlegt. Een uur geleden heeft een andere caféhouder een krat bier gebracht. Zo veel bier hebben ze niet nodig… Dit kan en moet op basis van het kleinburgerlijke eigendom en ruilhandel worden opgelost. Daarom betaalt de caféhouder in de werkelijkheid voor zijn kapsel in een kappSTerscoöperatie met geld, waartegen de kappSTers alles kunnen uitwisselen, wat zij nodig hebben. De “opheffing” van het geld op basis van de kleine eigendommen en ruilhandel is dus pure fantasie!

De Februarirevolutie kon om objectieve en subjectieve redenen duidelijk niet tot opheffing van de warenproductie leiden. Maar warenproductie betekent klassen- en concurrentiestrijd. Om te ​​zorgen dat zo’n maatschappij niet afglijdt in een voortdurende open burgeroorlog, heeft zij een schijnbaar neutrale scheidsrechter nodig met regels voor de concurrentie- en klassenstrijd, en een instelling, die deze regels verwezenlijkt. Deze schijnbaar neutrale scheidsrechter, die in werkelijkheid alleen het machtsorgaan van de succesvolle kapitalistische warenproducenten kan zijn, is de burgerlijke staat. Warenproductie betekent dus altijd burgerlijke politiek als sociale organisatie. De Februarirevolutie kon om objectieve redenen niet tot de vernietiging van de staat door het proletariaat leiden. Omdat een zegevierende sociale revolutie zonder de opheffing van de politiek onmogelijk is, kon het toenmalige Russische proletariaat in februari 1917 objectief niet winnen. Het moest noodzakelijkerwijs door de politieke contrarevolutie verslagen worden. Maar de contrarevolutie moest de politieke vorm veranderen, want met de Tsaar liet zich geen politiek tegen het subjectief revolutionaire proletariaat maken.

De liberale bourgeoisie had echter een tijdje nodig om te beseffen dat het met de monarchie in Rusland voorbij was. Dat is begrijpelijk want zij was zonder het gekroonde hoofd bang voor het proletariaat. De grootburgerlijke politici waren door de Februarirevolutie in een zeer moeilijke situatie terecht gekomen. Noch de tsaristische reactie noch het subjectief revolutionaire proletariaat bekommerde zich om de behoeftes van de bourgeoisie en hun politieke personeel. Maar gelukkig voor het Russische privékapitaal en zijn grootburgerlijke beroepspolitici, zorgden de mensjewistische en de “sociaalrevolutionaire” beroepspolitici op ontroerende wijze voor de sociale en politieke behoeftes van de bourgeoisie. De mensjewieken konden als politieke belangenbehartigSTers van de arbeidSTersklasse in het begin ook nog op de proletarische illusies onder hen steunen, terwijl de “sociaаlrevolutionairen” als politici die de hervorming van het grootgrondbezit leken voor te staan, de illusies van de boeren en met name de boerensoldaten konden uitbuiten. In hun eigen belang en in het belang van de bourgeoisie en haar grootburgerlijke politieke personeel.

De mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” politici gingen dan ook op 27 februari 1917 objectief over tot de offensieve contrarevolutie. Daarbij konden ze gebruik maken van de glans van de arbeidSTersraden (sovjets) van de revolutie van 1905. Zoals we al in detail hierboven beschreven, was de organisatievorm van de Petrogradse proletariaat tijdens de Februarirevolutie de directe sociale organisatie waarin de daad en de organisatie van de daad direct samenvielen. De Februarirevolutie bewees de sociale explosiviteit van de directe proletarische zelforganisatie en van haar strijdbare vorm, de dictatuur van het proletariaat. Maar de Februarirevolutie wierp “slechts” de Tsaar omver, de directe proletarische zelforganisatie was niet in staat om het kapitalisme af te schaffen. Daarvoor heeft het proletariaat een maximum aan organisatie en bewustzijn nodig. De proletarische klassenstrijd begint heel vaak in de vorm van directe sociale zelforganisatie. Maar een lange aanhoudende klassenstrijd en vooral de klassenoverwinnende strijd vereist officiële organen van de proletarische zelforganisatie en dictatuur. In 1905 waren dit de arbeidersraden (sovjets).

Terwijl het subjectief revolutionaire proletariaat in de straten van Petrograd nog zijn overwinning over het tsarisme verstevigde, werd op 27 februari in het Taurische paleis in Petrograd het Uitvoerend Comité van de Sovjets geschapen door voornamelijk kleinburgerlijke intellectuelen en door mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” politici, een puur politiek gedachtenspinsel. Dit in tegenstelling tot de Sovjets van 1905, die echte klassenstrijdorganen van het proletariaat waren, ook al stonden ze eveneens onder de invloed van het partijmarxistische kleinburgerlijke radicalisme. Na dit gedachtenspinsel werden vervolgens ook lokale sovjets gevormd die meer onder invloed van de proletarische klassenstrijd stonden.

Het hele Sovjetssysteem van 1917 was inderdaad ernstig misvormd door kleinburgerlijk-democratische en kleinburgerlijk-radicale beroepspolitici. Met deze vaststelling willen we het radenfetisjisme ontmaskeren, dat bij de toenmalige sociaalrevolutionairen gedeeltelijk heel sterk naar voren kwam en dat door het latere radicaal-marxistische radencommunisme werd geïdeologiseerd. De toenmalige Russische sovjets van 1917 benaderden in wezen meer de kleinburgerlijke voorstellingen van “arbeidSTersdemocratie” dan onze voorstellingen van klassenstrijdorganen van de proletarische revolutionaire zelforganisatie. Democratie is voor ons geen mooi ideaal maar de werkelijk bestaande dictatuur van het kapitaal. “ArbeidSTersdemocratie” is al een contradictio in terminis. “ArbeidSTersvolksheerschappij”! In de volksheerschappij zonder voorvoegsel is het volk een mensenmassa zonder aanduiding van klasse. Dat wil zeggen de democratie is een ideologische volksheerschappij waarachter zich de echte sociale klassenheerschappij van de bourgeoisie en haar politieke personeel verbergt. In het begrip “arbeidSTersdemocratie” wordt het wat betreft klassensamenstelling niet verder bepaalde volk versmolten met het begrip de arbeidSTersklasse en wordt een subject van een heerschappij. Maar het proletariaat kan door een sociale revolutie geen nieuwe heerschappij oprichten maar door zijn revolutionaire dictatuur “slechts” de burgerlijke staat vernietigen om vervolgens een vereniging van vrije producenten plaats te maken. Na een zegevierende wereldrevolutie als een permanente keten van vernietigingen van kapitalistische natiestaten is er geen arbeidSTersklasse, noch haar heerschappij. De sociale wereldrevolutie verwezenlijkt niet kleinburgerlijke voorstellingen van democratie maar draagt ze definitief ten grave.

De “arbeidSTersdemocratie” kan in de werkelijkheid alleen maar een kleinburgerlijke democratie zijn waarin de proletarische basis het stemvee van kleinburgerlijke beroepspolitici is. De Russische sovjets van 1917 waren in wezen ook niets anders. In deze organen stoeiden sociaaldemocratische – zowel mensjewieken als bolsjewieken – en “sociaalrevolutionaire” partijpolitici, die door arbeidSTers en boerensoldaten verkozen werden. De sovjets waren de belichaming van een kleinburgerlijk parlementarisme. Inderdaad stonden de sovjetdemocratie anderzijds onder enorme druk, namelijk die van een proletariaat dat hevig klassenstrijd voerde en subjectief sociaalrevolutionair was. Dit maakte dat de sovjets een tegenstrijdige mengelmoes waren van kleinburgerlijke democratie en kiemvormen van proletarische zelforganisatie. De kleinburgerlijk-democratische tendensen van de sovjets belichaamden de mentale zwakheden van het subjectief revolutionaire Russische proletariaat, terwijl hun kracht in de sovjetdemocratie slechts een politiek en ideologisch vervreemde vorm kon aannemen.

Nogmaals, in alle helderheid: De sovjets van 1917 waren praktisch gezien geen sociaalrevolutionaire organen van de proletarische klassenstrijd. Tegenwoordig staan sociaalrevolutionairen op het standpunt dat beroepspolitici in de organen van de proletarische klassenstrijdzelforganisatie niets te zoeken hebben. Want de sociale revolutie kan alleen de vernietiging van de burgerlijke staat betekenen, terwijl alle beroepspolitici slechts de staat kunnen reproduceren. De sovjetdemocratie van 1917 was niets anders dan de heerschappij van kleinburgerlijke democraten over het klassenstrijd voerende proletariaat. Maar deze heerschappij van de beroepspolitici in de sovjets was alleen mogelijk omdat het proletariaat in zijn meerderheid toen nog niet bewust antipolitiek was. Tegenwoordig zijn sociaalrevolutionaire intellectuelen en proletariërs of bewust antipolitiek of zij zijn duidelijk objectief niet sociaalrevolutionair. Dit heeft ons onder andere de Russische Revolutie geleerd.

De kleinburgerlijke democraten (mensjewieken en de “sociaalrevolutionairen”) hadden na de overwinning van de proletarische klassenstrijd en de soldatenrebellie maar één zorg, namelijk heel snel de politieke heerschappij te overhandigen aan de liberale bourgeoisie. Deze liberale bourgeoisie stond vanaf het begin vijandig tegenover de Februarirevolutie. De liberale Cadettenpartij was een bewuste klassenvijand van het subjectief revolutionaire proletariaat en streefde voor de Februarirevolutie naar een constitutionele monarchie, een tsaar die onder parlementaire controle stond. Van de sovjets en hun leiders verwachtte de liberale bourgeoisie en haar politieke personeel alle mogelijke onheil, maar zeker niet de satirische grap, dat zij door het kleinburgerlijk-democratische sovjetleiderschap werd gevraagd om de politieke macht over te nemen. Want volgens de marxistische ideologie van de mensjewieken was de Russische Revolutie een burgerlijke revolutie waarin de liberale bourgeoisie “logischerwijs” de politieke macht moest overnemen. In werkelijkheid kon deze politieke overname van de Russische liberale bourgeoisie alleen de sociale contrarevolutie belichamen, ongeacht het feit dat in het toenmalige Rusland een zegevierende sociale revolutie onmogelijk was.

De liberale bourgeoisie en haar politieke personeel herstelden zich snel van de verrassing toen zij door de kleinburgerlijk-democratische sovjetleiding werden gevraagd de macht over te nemen. Maar de Cadettenpartij onder leiding van Miljoekov probeerde, toen de oude tsaar al niet meer te redden was, dan tenminste het tsarisme te redden met een nieuwe tsaar. Een heel mooi toneelstukje van burgerlijke pragmatische politiek! Terwijl de Russische kleinburgers in de kont van de liberale bourgeoisie kropen, toonde deze feodale aristocratie op haar beurt slechts minachting voor de liberale bourgeoisie en flikflooide liever met de feodale aristocratie. Maar met de reproductie van het tsarisme door een nieuwe tsaar was niet langer een succesvoll contrarevolutionair politiek tegen het proletariaat te voeren. Daarom zetten de cadetten hun monarchisme voorlopig in de ijskast, en konden daarna in maart 1917 het Voorlopig Comité van de Duma voor een Voorlopige Regering als een machtsorgaan van de liberale bourgeoisie en de grootgrondbezitters vormen, die door de “sociaalrevolutionair” Kerenski als minister van Justitie werd gegarneerd. Maar de andere mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” beroepspolitici gaven er de voorkeur aan om de Sovjets te beheersen en door deze zowel als de Voorlopige Regering te steunen, een zachte druk op haar uit te oefenen.

Het resultaat van de Februarirevolutie was een dubbele macht met enerzijds de Voorlopige Regering en anderzijds de politiek gedeformeerde organen van de proletarische zelforganisatie. De voorlopige regering was ondubbelzinnig sociaalreactionair. Zij zette de imperialistische oorlog voort en vertraagde de landhervorming, terwijl de Sovjets in de handen van de kleinburgerlijke beroepspolitici waren, maar ook onder druk stonden van hun proletarische en soldaten (boeren) basis en op die manier gedeeltelijk tot organen van proletarische klassenstrijd werden. In de fabrieken schiepen de arbeidSTers hun eigen organen in de vorm van de fabriekcomités. Deze kwamen het sterkst met de bourgeoisie en de mensjewieken/“sociaalrevolutionairen” in conflict, omdat zij de zelforganisatie van de arbeidSTersklasse waren. De fabriekscomités creëerden ook de Rode Garde, een gewapende arbeidSTersmilitie, die een militante uitdrukking van de proletarische zelforganisatie was, dat wil zeggen een orgaan van de dictatuur van het proletariaat in aanzet.

Maar de fabriekscomités en de Rode Garde stonden helaas onder de invloed van de kleinburgerlijk-democratische (mensjewieken en rechts “sociaalrevolutionairen”) en later kleinburgerlijk-radicale politici (bolsjewieken en “linkse sociaalrevolutionairen”). Omdat deze organen van dictatuur van het proletariaat in de kiem niet bewust antipolitiek waren, konden ze uiteindelijk door bolsjewistische beroepspolitici tijdens het creëren van een staatskapitalistische partijdictatuur geliquideerd worden. Ook al was de revolutionaire zelfopheffing van het proletariaat, dat wil zeggen, de overgang van de proletarische naar de klassenloze zelforganisatie, vanwege de sociale zwakte van de Russische arbeidSTersklasse objectief onmogelijk, dan had het Russische proletariaat bij nog grotere sociaalrevolutionaire helderheid een nog heroïschere nederlaag tegen de kapitalistische contrarevolutie kunnen lijden. En de mogelijke overwinning van het revolutionaire wereldproletariaat wordt ook daar door heldhaftige nederlagen voorbereid, waar een overwinning nog objectief onmogelijk is. Dit is de dialectiek van de objectieve en subjectieve voorwaarden van het wereldrevolutionaire proces, dat eenduidig het verstand van de marxistische en anarchistische kleine geesten te boven gaat.

Maar het wereldproletariaat had voor 1917 geen ervaring kunnen opdoen met een openlijk contrarevolutionair optredende internationale sociaaldemocratie met inbegrip van grote delen van zijn linkervleugel, het Bolsjewisme. De talrijke praktische ervaringen, die het wereldproletariaat sindsdien met de sociaaldemocratische en “communistische” beroepspolitici kon opdoen, heeft het postmarxistische en postanarchistische communisme in theorie een duidelijk antipolitiek bewustzijn gegeven. Als dit antipolitiek bewustzijn in een sociale wereldrevolutie tot een materiële kracht wordt, wee dan de politici van het kapitaal!

Advertisements