Posts Tagged ‘Franco’

De geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging verdedig(de)t het democratische kapitalisme

In ons laatste artikel over de Spaanse Burgeroorlog hebben we ons gericht op de contrarevolutionaire rol van de geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging tijdens de gebeurtenissen van mei 1937 in Barcelona. Het artikel geeft ook een kritiek op de rol van de CNT in de “collectivisatie” van de economie in het kader van de staat, de kapitalistische warenproductie en in het belang van de kapitalistisch-antifascistische oorlog. Op het eind hebben we ons ook tot  alle subjectief eerlijk sociale activisten en activisten met het vermaan om te leren uit de geschiedenis, de kleinburgerlijke linkse moeras te verlaten en gaan naar de kant van de sociale revolutie.

Nadat wij in onze vorige teksten de nederlaag van de republikeins-stalinistische blok in de burgeroorlog schilderden, willen we nu de succesvolle contrarevolutie van dit blok tegen de klassenstrijdige proletariaat beschrijven. Deze contrarevolutie voldeed aan zowel de algemene ontwikkelingstendenties van het antifascisme als de geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging. Het antifascisme is de ideologie en de praktijk van de verdediging van de democratie tegen het fascisme en aanverwante regeringsvormen, zoals bijvoorbeeld het franquisme. Maar de democratie is ook een politieke uitdrukking van het sociaalreactionaire dictatuur van het kapitaal. De geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging reproduceerde en reproduceert de kapitalistische klassenmaatschappij in de vorm van burgerlijk-bureaucratische apparaten en een arbeidSTersbasis. Deze bourgeois-bureaucratische apparaten zijn structureel niet in staat en bereid om de sociale revolutie te organiseren, maar ze moeten vanuit hun eigen belangen de sociaalreactionaire democratie tegen het fascisme of soortgelijk regime, die de geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging willen stukslaan, verdedigen. Echter een strijd tegen de fascistische en soortgelijke stromingen vanuit democratische posities is inconsequent, maar tegen het proletariaat deze strijd moet met alle contrarevolutionaire kracht worden uitgevoerd.

Vooral Moskou wilde tijdens de Spaanse Burgeroorlog de democratische bourgeoisie in en buiten Spanje zijn contrarevolutionaire betrouwbaarheid demonstreren – en door de militaire staatsgreep enorm verzwakte republikeinen hadden Stalin als een ervaren beul tegen het proletariaat nodig. Zo eiste Stalin in een brief aan de toenmalige Spaanse premier Caballero het privébezit van de productiemiddelen in ieder geval te beschermen. Het stalinisme bracht de contrarevolutionaire gevolg van antifascisme slechts het sterkst tot uiting, zo werd het de voorhoede van de republikeins-democratische contrarevolutie. Maar ook de sociaaldemocratische PSOE, de “anarcho” -democratische CNT en FAI evenals de POUM waren een deel van deze democratisch-antifascistische contrarevolutie. Laatstgenoemden vormden de libertaire en marxistische staart van het sociaal reactionaire Volksfront. Toch de succesvolle contrarevolutie richtte zich ook tegen hun nietige vertegenwoordigers. Het kleinburgerlijk-anarchistische moralisme kan dit gedrag van zijn vroegere antifascistische bondgenoot slechts met “intolerantie” verklaren. Ja, bloedige intolerantie tegen het proletariaat was en is het handelsmerk van de contrarevolutie, zoals “tolerantie” tegenover deze contrarevolutie is het handelsmerk sociaal- en “anarcho”-demokratische flikflooier! (more…)

In ons vierde artikel van de burgeroorlog in Spanje gaan wij hebben over de imperialistische machten, die bij dit binnenskapitalistische conflict betrokken waren. We hebben ook geprobeerd materialistische sociaal revolutionaire analyse van de opkomst en afloop dit kapitalistisch- antifascistische oorlog in Spanje te doen. Aan het eind van het artikel hebben we het aantal slachtoffers van het binnenskapitalistische bloedbad en het daaropvolgende terreur regime van Franco gegeven.

Onze belangrijkste punt van de analyse van de Spaanse burgeroorlog is, dat hij van beide kanten kapitalistisch-reactionaire was – zelfs ondanks het feit, dat aan de antifascistische kant, vooral in de CNT en de POUM milities subjectief eerlijk arbeid(st)ers hebben gestreden. Want juist deze arbeid(st)ers werden door de antifascistische contrarevolutie in een binnenskapitalistische oorlog vernietigd. Pas in de tweede plaats analyseren we, dat deze oorlog door de fascistisch-franquistische kant consequent en door de democratisch-stalinistisch-antifascistische kant wezenlijk inconsequenter werd uitgevoerd. Dat lag eraan, dat het fascisme de meest consequente vorm van de kapitalistische sociale reactie was, d.w.z., door zijn ultra fanatieke overdrijving. Het zwakke Spaanse nationaalkapitaal, die koortsig midden van een ernstige economische crisis en een klassenstrijdige proletariaat was, rekende op deze ultra fanatieke contrarevolutionaire  overdrijving – franquisme. De republikeinen waren beijverd om het vertrouwen van de bourgeoisie terug te winnen. Daarom gingen zij met behulp van de stalinisten met volle kracht tegen het klassenstrijdige proletariaat en de linkervleugel van de anti-fascistische Volksfront voor, om de bourgeoisie te zeggen: Kijk, U heeft Franco niet nodig! Maar Franco was nog consequenter reactionair. Zo riep de bourgeoisie aan de democratische politici en de stalinisten door hun praktijk: We hebben jullie niet nodig!

De Franse en de Britse bourgeoisie, wier naar gunste het hele Volksfront dingde – met inbegrip van “anarcho”-democraten van de CNT – was meer geneigd tot Franco. Maar de beide democratieën verborgen aan het begin van het binnenskapitalistische conflict in Spanje hun duidelijke sympathie voor de putschende generaals achter de frasen “non-interventie”. Daartoe riepen zij ook andere imperialistische machten op. 27 landen – inclusief de Italiaanse, Duitse en sovjets imperialisme – richtten dan ook op 9 september 1936, het “Non-Interventie-Comité” op. Onder dit masker van “non-interventie” ondersteunden het Italiaanse en Duitse fascisme eerst geheim de putschende generaals. Maar geleidelijk liet vooral het Italiaanse fascisme dit masker vallen. Zo schreef Mussolini’s centrale orgaan Roma Fascista op 2 december 1936: “De farce van non-interventie is voorbij. Voor ons is zij nooit begonnen. We strijden in Spanje, die op dit moment de meest blakende deel van onze oorlog is.” Maar Engeland en Frankrijk hielden aan deze farce van “non-interventie” vast – tot zij in 27 februari 1939 openlijk het Franco’s regime erkenden, hoewel de burgeroorlog nog niet voorbij was. (more…)

We gaan door met onze serie artikelen onder de titel “De Spaanse Burgeroorlog als een binnenskapitalistischeconflict” en vandaag willen we de politieke strijd van boven- en de klassenstrijd van onder in 1931-1936 analyseren. In dit artikel hebben we ons gericht op de politieke partijen en vakbonden van deze periode en de subjectieve voorwaarden die nodig zijn voor de overwinning van de sociale revolutie. We gaven ook ons begrip van de gezamenlijke sociale actie van het proletariaat, vertelden over de militante strijd van het Spaanse proletariaat tegen de klerikale-fascisme en over de proletarische opstand in oktober 1934 in Asturië.

Na ons kort inzicht in de geschiedenis van de Spaanse kapitalisme, willen we nu de klassenstrijd tussen het uitroepen van de Republiek en de staatsgreep van de generaals in meer detail beschrijven. We zullen reeds in deze tekst op de partijen en de vakbonden van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging een radicale kritiek onderwerpen. Daarnaast proberen we ook te beschrijven hoe vanuit ons huidige gezichtspunt echt sociaalrevolutionaire groepen en stromingen zich zouden moeten gedragen. Deze uitbeelding toont ons als proletarische revolutionairen in tegenstelling tot de ordelijke betaalde professionele wetenschappers. In ieder geval deze benadering is ook niet onproblematisch. Het is niet omdat onze huidige positie het toen überhaupt niet zou hebben gegeven. Echter, de fundament van onze huidige revolutionaire standpunten was er toen al, belichaamde in het partij- en vakbondvijandelijke radencommunisme en in de scherpe democratie- en antifascisme-kritiek van de partijachtige Italiaanse linkscommunisme. Maar in Spanje waren er deze stromingen toen niet. De afwezigheid van linker- of radencommunistische stromingen is nogal een uitdrukking van de klassenstrijd en klassenbewustzijn van het toenmalige proletariaat in Spanje geweest. Het is niet onproblematisch, wanneer we het naar onze huidige mening noodzakelijke gedrag van toen niet in Spanje bestaande bewust revolutionaire stromingen proberen te beschrijven. Maar we doen het toch gewoon, omdat we niet kleinburgerlijke kamergeleerden, maar proletarische revolutionairen zijn. Zo was er in 1931, toen het Spaanse kapitalisme zijn politieke heerschapvorm van monarchie naar een democratische republiek omvormde, geen bewuste sociaalrevolutionaire stroming, die met een radicale en materialistische politiek- en democratie-kritiek de illusies van de arbeid(st)ersklasse en met een duidelijke oriëntatie tegengegaan op de zelfgeorganiseerde klassenstrijd en de militante vorm – de proletarische dictatuur – die duidelijke signalen zou hebben gegeven. Er was slechts één geïnstitutionaliseerd arbeid(st)ersbeweging met hun partijmarxistische en anarcho-syndicalistische organisaties en ideologieën, die tussen reactionaire sociaalreformisme en organisatie-egoïstische sektarisme hulpeloze heen en weer slingerde. Tijdens de parlementaire-sociaalreformistische Socialistische Partij in 1931 samen met republikeinse partijen een coalitieregering vormden, d.w.z. openlijk contrarevolutionair ageerde, bevond zich de P“C”E als de geheel Moskou horige ‘Communistische’ Internationaal in de zogenaamde “Derde Periode”. Gedurende deze tijd verhulde het officiële partij-“communisme” zijn fundamenteel sociaalreactionaire staatskapitalistische karakter met een verbaalradicalisme, die zich mentaal op een zeer laag niveau bevond. De stalinisten waren in structureel niet in staat, om de sociaaldemocratie materialistisch-revolutionair te bekritiseren, maar ze beschimpten dit totaal zwakzinnig als “sociaalfascistisch”. Ze weigerden zelfs organisatie-egoïstisch elke samenwerking met de andere organisaties van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging. Daardoor namen ze aan de politieke verdeeldheid van het proletariaat deel. (more…)

Spanje in 1936-37: De mythe van de “anarchistische collectieven”

Deze dagen van de 75e verjaardag van de opstand van juli is het van belang weer te begrijpen wat eigenlijk “de anarchistische groepen” waren? Het artikel van het Spaanse links communistische tijdschrift “ACCION Proletaria” No.20 heeft kritisch bekeken voor de anarchisten en anarchosyndicalisten de “heilige” kwestie, zoals zelfbestuur in communes en coöperaties in de Spaanse “revolutie.” Hoewel we niet helemaal eens met sommige formuleringen zijn, maar dit artikel heeft wat dat veel artikelen vandaag niet hebben: absolute duidelijkheid, de radicale kritiek en laat geen ruimte voor compromissen.

Spaanse collectieven van 1936 bieden de officiële anarchisten vaak aan als een ideaal model voor de revolutie. Volgens hun visie beschikken de collectieven de mogelijkheid van zelfbestuur toe, betekenen de afschaffing van de bureaucratie, verhogen de productiviteit en een “wonder van alle wonderen”, “het werk van de arbeiders zelf” en “voortdurend begeleidende libertariers” (de beschrijving van Gaston Leval, een van de meest fervente verdedigers van de anarchosyndicalisme en CNT).

Maar de officiële anarchisten zijn niet de enige, die ons “paradijs” collectieven prijzen. Heribert Barrera, Catalaans Republikeins lid van Cortez, prees collectieven als “een voorbeeld van een sociale markteconomie die de menselijke vrijheid en initiatief respecteert”, terwijl de aanhangers van de POUM vertelden “dat de collectieven in de Spaanse revolutie, in vergelijking met de Russische revolutie, de meest diepzinnige karakter hebben”.

Wat onze positie betreft, zijn wij genoodzaakt om weer “tegen stroom” te zwemmen: collectieven van 1936 waren niet de middelen van de proletarische revolutie maar een instrument van de burgerlijke contrarevolutie. Tevens waren ze geen “nieuwe maatschappelijke organisaties” maar het laatste heil van de oude, die bewaard zijn gebleven in al zijn verschrikkelijke vorm.

Wanneer we dat zeggen, willen we niet onze klasse demoraliseren. Integendeel: de beste manier van hun moed ontnemen. Dit is om ze te laten vechten voor het verkeerde model van de revolutie. Voorwaarde voor de overwinning van de revolutionaire aspiraties is de volledige bevrijding van de valse revolutionaire modellen, in de release van een valse paradijs …

Wat waren de collectieven?

Spanje in 1936 was compleet geteisterd door ernstige economische crisis die sinds 1929 duurde. Nationale kapitaal werd getroffen door drie soorten van sociale transformaties

• fundamentele tegenstelling tussen de bourgeoisie en het proletariaat

• interne conflicten tussen verschillende fracties van de bourgeoisie

• botsingen tussen verschillende imperialistische blokken

In Spanje van 1936, fungeerden deze drie schokken met grote intensiteit en zetten de Spaanse kapitalisme in een bijzonder moeilijke positie.

Ten eerste, de Spaanse proletariaat in tegenstelling tot hun klasse broeders in Europa was nog niet gebroken en bleef de volle kracht in de strijd tegen uitbuiting. Een opvallend kenmerk van deze strijd was het verspreiden van algemene staking over het hele land. Maar ook opstanden en muiterijen die de grootste verwarring binnen de heersende klasse veroorzaakten.

Ten tweede, verergerd de spanningen binnen de heersende klasse. Achterblijvende economie, die geplaagd door een enorme onbalans, was helemaal geteisterd door de wereldcrisis. Dit alles diende als vruchtbare grond voor conflicten tussen de rechterbourgeoisie (grootgrondbezitters, bankiers, militairen, kerk, aanhangers van Franco), en linkerbourgeoisie (industrie, stedelijke middenklasse, vakbonden, enz.), wiens leiders van de Republikeinen en het Volksfrontwaren waren.

En tot slot, de Spaanse kapitalisme, vanwege zijn instabiliteit werd een gemakkelijke prooi voor imperialistische roofdieren dat vanwege de crisis meer en meer nieuwe markten en strategische posities nodig hebben. Duitsland en Italië heeft zijn bod op Franco, die onder het mom van “traditie” en “kruistocht tegen de atheïstische communisme” was verstopt. Sovjet en Westerse machten hadden in de Republiek en in het Volksfront bastion gevonden, die zich achter het gordijn van “antifascisme” en “vechten voor de revolutie” verstopten.

In al deze omstandigheden, in 18 juli 1936 begon Franco’s opstand die het hoogtepunt van overexploitatie en onderdrukking van de kant van de republiek bereikte sinds 1936. De reactie van de arbeidersklasse was snel en krachtig: de algemene staking, opstand, bewapenen van de massa’s, onteigening en bezetting van bedrijven.

Vanaf het eerste moment probeerden alle krachten van de linkerbourgeoisie (van de Republikeinse Partij tot de CNT), de arbeiders af te leiden in de val van de antifascistische strijd. Onteigening van bedrijven was omgevormd tot een doel op zich, zodat de arbeiders weer aan het werk kwamen met de illusie dat de fabrieken behoren tot hen en dat ze “gecollectiviseerd” zijn.

Maar de dag van de juliopstand toonde aan het publiek dat de strijd van de arbeiders zich ontwikkeld, niet alleen tegen Franco maar ook tegen de republikeinse regering. Arbeiders gingen in staking, onteigenden de bedrijven, bewapenden als een autonome klasse om een aanval te beginnen tegen de kapitalistische staat als een geheel (Dat wil zeggen zowel tegen de fascistische als de republikeinse staat). Om met succes de opstand te ontwikkelen, moesten de arbeiders niet worden beperkt tot de vorming van de militie. Zij moesten tegelijkertijd niet alleen de nazi leger in de pan hakken maar ook de Republikeinse krachten en vervolgens vernietigen aan de grond de kapitalistische staat om op de ruïnes de kracht van de arbeidersraden te bouwen.

Dat was de reden van de nederlaag van het proletariaat dat de republikeinse krachten, vooral de CNT en de POUM, gelukten om de arbeiders van de beslissende stap (de vernietiging van de burgerlijke staat) op te houden, en het proletariaat voor “antifascistische strijd” en “de collectivisering van de economie” te mobiliseren
Catalaanse nationalisten, het Volksfront en helaas CNT beperkten de arbeidersstrijd met eenvoudige onteigening van bedrijven. Op deze manier klemden zij het etiket “revolutionaire collectieven” die binnen de kapitalistische staat zijn ontstaan en op geen enkele wijze beïnvloedden. Dus de “revolutionaire collectieven” waren niet alleen ongeschikt voor de arbeiders maar bleek ook een instrument van controle en overexploitatie van arbeiders door kapitaal. Het was duidelijk dat de CNT, die niet voor de spontane stakingen van 19 juli en bewapening van het proletariaat aanriep, maar meteen aanriep om een einde te maken aan stakingen en de wederopvatting van het werk. Met andere woorden kwam CNT tot de verdediging van de kapitalistische staat met het argument dat bedrijven “gecollectiviseerd” zijn.

Mooie “libertaire” collectieven, die volgens de POUM “in vergelijking met de Russische revolutie, zijn de meest diepgaande” rechtvaardigden de terugkeer naar het werk, het einde van de revolutionaire opstand en de ondergeschiktheid van de arbeiders van de militaire economie. In de huidige omstandigheden van extreme onrust en de ineenstorting van de kapitalistische apparaat, dienden de collectieven met zijn radicale schild als het laatste redmiddel om arbeiders te overtuigen om te werken en om de volgorde van uitbuiting te redden. De monarchistische politicus Osorio Gallardo openlijk toegaf: “De collectieven waren een noodzaak. Het kapitalisme heeft zijn hele geloofwaardigheid verloren. Zijn heren waren niet meer in staat te bevelen, en de arbeiders wilde niet meer gehoorzamen. In zo’n onrustige situatie zou de industrie of volledig instorten of zoals het was, namen de generaals de industrie onder controle en organiseerden het communisme à la Sovjet-model.”

Wanneer men zegt, dat de collectieven een model van “communisme” en “arbeidsraden” waren, wordt het belachelijk. De hoeveelheid informatie, feiten en bewijzen om het tegendeel te bewijzen, zijn deprimerend. Laten we ze bekijken in detail.

1. Een aantal bedrijven werden gecollectiviseerd, met instemming en deelname van ondernemers zelf. Wat betreft de collectivisering van de chocolade-industrie in de Torrente (Valencia), Gaston Leval in de hierboven genoemde boek schreef: “Gemotiveerden die wens hebben om de productie(?) te moderniseren, evenals de wens om de uitbuiting van de mens door de mens(!) af te schaffen, vond in 1 september de bijeenkomst plaats. Zowel de werkgevers als de werknemers waren uitgenodigd voor deelname aan het beheer van collectieven en iedereen heeft gestemd voor de organisatie van de productie en het leven in een geheel nieuwe basis.”

De bouw van deze “geheel nieuwe fundering voor het leven” vond plaats op basis van de erkenning van alle stutten van het kapitalistische regime. Bijvoorbeeld, een tramcollectief in Barcelona “erkende niet alleen de betaling van leningen aan kredietverstrekkers maar ook gesprekken gevoerd met aandeelhouders tijdens een vergadering van alle aandeelhouders” (ibid.). En was het een diepe doordringende revolutie die de schuld en belangen van de aandeelhouders erkende? Een heel vreemde manier van het organiseren van de productie en het leven in een geheel nieuwe basis!

2. De collectieven assisteerden vakbonden en politieke partijen in de restauratie van de kapitalistische economie

• bij de concentratie van bedrijven: “We hebben de kleine winkels met weinig arbeiders die geen vakbondsactiviteiten hadden laten zien. De passiviteit is schadelijk voor de economie. “(Verslag van een houtbewerking vakbond CNT , Barcelona 1937).

• bij het rationaliseren van de economie: “Ten eerste, hebben we de financiële stabiliteit hersteld van de industrie door het organiseren van een algemene industriële raad, waar 2 delegaten van ieder bedrijfstak. Overtollige bijdragen moesten gediend worden als ondersteuning voor onrendabele ondernemingen en voor aanschaffing van grondstoffen en onderdelen”(CNT Barcelona 1936).

• bij de centralisatie van de meerwaarde en kredieten aan de behoeftes van de oorlogseconomie “50% van de winst in de gecollectiviseerde bedrijven wordt gebruikt om het eigen vermogen te handhaven en de overige 50% is beschikbaar voor lokale of regionale raden van de economie.” (Verslag van CNT over de collectieven, december 1936)

Zoals je kunt zien geen cent van de winst vallen aan de arbeiders. Maar goed! Gaston Leval verdedigde het met grote cynisme: “Het is mogelijk met volledige redenen te vragen: waarom winst is niet verdeeld tussen arbeiders die zijzelf hadden het gemaakt?” Op dit antwoorden we: “Omdat de winsten wij voor sociale solidariteit verzamelden”. “Sociale” solidariteit met de operatie, met de oorlogseconomie en de vreselijke armoede!

3. Collectieven raakten niet de buitenlands kapitaal aan, zoals de POUM zei “om de woede van de vriendelijke landen te voorkomen”. Wij vertalen dit als volgt: “om de nek onder het juk aan de imperialistische krachten te buigen, die de Republikeinse kant ondersteunden”.
4. De organen die regeerde de collectieven (vakbonden, politieke partijen, comités) waren volledig geïntegreerd in de kapitalistische staat:
“De fabriek comités en de comités van controle van de onteigende bedrijven werden organen die de productie verhogen. Deze comités waren geen organen meer die tijdens stakingen zijn gemaakt om de staat te vernietigen. Die waren organen die zich op de militaire economie oriënteerden. En een fundamentele voorwaarde hiervoor was de staat te versterken”. (Bilan, de Italiaanse krant van linkse communisten).

Wat de politieke partijen en vakbonden betreft, kunnen we zeggen dat niet alleen de krachten die deel uitmaken van het Volksfront, maar ook “basic”, “radicale” organisaties waren geïntegreerd in de staat. CNT had 4 delegaten in de Economische Raad van Catalonië, 3 ministers in de regering van Catalonië en 3 ministers in de centrale regering in Madrid. Maar ze waren niet alleen aan de top van de staat, maar ook vormden de basis: op het platteland, in fabrieken,in wijken. Republikeinse Spanje had honderden “libertaire” burgemeesters, wethouders, korpschefs, officieren, enz.

Maar deze krachten, dankzij hen deelname in het beheer van de staat, waren niet alleen de componenten binnen de staat. Het is de integriteit van het gehele beleid, dat zij verdedigden, en dus werden vlees en bloed van de kapitalistische orde. Dit beleid van permanente obstructie van de activiteiten van de collectieven was antifascistische eenheid, die de opoffering van arbeiders in het militaire fronten en overuitbuiting in de fabrieken rechtvaardigde. Gaston Leval legt de politiek van CNT als volgt: “We moeten ons beperken om de grote vrijheden van de republiek te beschermen”. Gaston Leval “vergeet” dat “grote vrijheid van de arbeiders” waren stakingen, die werden onderdrukt door een republiek. “De vraag is niet om een libertaire communisme te implementeren, en ook niet in de aanval op het kapitalisme, de staat of aan politieke partijen, maar om de overwinning van het fascisme te voorkomen”. Waarom dan, CNT, anarchisten bekritiseerden de Communistische Partij van Spanje indien hun programma hetzelfde was: namelijk het kapitalisme verdedigd onder de mantel van antifascisme?

“We zijn gedwongen om te concluderen dat de collectieven geen geringste offensief tegen de burgerlijke orde waren. Maar zij waren een vorm die de bourgeoisie voor zichzelf gebruikte, om de economie te organiseren en de uitbuiting te houden op het moment van maximale spanning en de radicalisering van de arbeiders. Zulke momenten maken onmogelijk dat het kapitalisme zijn traditionele methoden van onderdrukking gebruikt. In een situatie waarin de arbeidersklasse op de stijging is kan het kapitalisme in het algemeen geen gebruik maken van de klassieke legale methoden van repressie. Vervolgens wordt het kapitalisme gedwongen, tegen de uitgebuite de cellencontrole netwerk te maken. Deze cellen netwerken die voorheen als officieren van justitie, politie en gevangenis bekend waren verkeerden in een extreme situatie van Barcelona in de militie comités, de “socialisatie” industrie, vakbond arbeiders, bewaken konvooien, enz”. ( Bilan ).

De organisatie van de militaire economie

Nadat we erachter kwamen dat de collectieven een kapitalistische hulpmiddel waren, beginnen we te begrijpen welke rol ze spelden. Ze moesten een draconische orde van de militaire economie onder het proletariaat vaststellen die een imperialistische oorlog jaren 1936-1939 in Spanje eiste.

De samenstellende delen van de militaire economie zijn de militarisering van arbeid, de rantsoenering systeem en de verandering van de hele productie uitsluitend voor de behoeften van de totalitaire en monolithische doel, dat wil zeggen, Oorlog.

De collectieven waren de vijgenblad die de bourgeoisie op arbeiders militaire discipline, uitbreiding van de werktijd en onbetaalde overuren kon opdringen. Een bourgeois journalist juichte “op de sfeer”, wat in de fabriek van Ford heerste: “Er waren geen opmerkingen of verdeeldheid. Aanvankelijk kwam de oorlog en dat betekende: werken voor de oorlog en werken voor onbepaalde tijd … Niemand zich verontwaardigd dat de arbeiderscomités, die bestaan uit arbeiders, strikte instructies hadden gemakt en de nieuwe overwerk hadden opgericht. Het allerbelangrijkste was de overwinning op het fascisme”.

De statuten van de collectieven eenduidig bepaalden het organiseren van de militarisering van arbeid:
“§ 24: Iedereen moet werken zonder tijdslimiet om de benodigde dienstverlening uit te voeren voor de collectieven. § 25: Elk lid van collectief moet, in aanvulling op zijn werk, helpen met alle dringende en onvoorziene arbeid” (Collectief Xativa – Valencia).

Op vergaderingen van de collectieven zijn meer en meer democratische methoden opgelegd aan de kazerne orders: “We hebben besloten om een afdeling te organiseren waar vrouwen kunnen werken in plaats van slungelen op de straat… Tot slot werd er besloten om in elke werkkamer een verantwoordelijke persoon te stellen voor het toezicht op de leerlingen. Leerlingen, die twee keer afwezig zullen zijn voor geringschattend reden, worden ontslagen zonder enige uitleg” (De medewerkers van Tamarite – Huesca).

Wat de rantsoenering systeem betreft, een Catalaanse krant schreef over de manier hoe de oprichting van rantsoen door de democratische methoden was opgedringd: “Door het hele land dwong men mensen zuinig te leven, van edele metalen tot de aardappelschillen. De overheid moet dit regime strikt in acht nemen. Maar hier in Catalonië heeft de mensen geheel vrijwillig en bewust voor een streng rantsoen instelling gekozen”.

De eerste wet van de “ultrarevolutionaire” Raad van Aragon (met Durruti en anderen) luidt: “Voor de behoeften van de collectieven zullen worden bonkaarten uitgegeven voor ratsoenen”. Deze “revolutionaire actie”, die “door de burgers bewust aangenomen was”, betekende onuitsprekelijke problemen voor de arbeiders en voor de hele bevolking. Gaston Leval schreef zonder aarzelen: “In de meeste collectieven ontbrak vlees, en zo verder nog niet genoeg was, zelfs de aardappel” (ibid.).

Als gevolg hiervan, de kazerne discipline en door de bourgeoisie opgedringde, onder de mantel van collectieven, de oprichting van rantsoen had een doel: alle economische en menselijke middelen offeren voor de imperialistische oorlog.

Collectieven: een tool voor overexploitatie

De meest voor de hand liggende indicator van vijandigheid van “anarchistische collectieven” ten opzichte van de arbeiders is dat de republikeinse bourgeoisie met behulp van “anarchistische collectieven” gelukte de arbeid en de levensstandaard van de arbeiders ondraaglijk te maken.

• De lonen daalden van juni 1936 tot december 1938 nominaal met 30%, en de levensstandaard daalde met 200%!
• De prijzen stegen van 168,8 in 1936 (index 1,933 : 100) tot 564 in november 1937 en naar 687 in februari 1938.
• De werkloosheid, ondanks de hoge sterfte in de front, steeg in de periode van januari 1936 tot november 1937, op 39%.
• Werktijd is gesprongen tot 48 uur per week, aantal overuren met 30% gestegen.

Vooral de zogenaamde “arbeid organisaties” (CP, UGT, POUM, evenals CNT) waren verantwoordelijk voor de overexploitatie en afbraak van de arbeiders.

Peiró, een van de bazen van de CNT, in augustus 1936, zei: “De 40 uur werk week voldoet niet meer de behoeftes van de natie en dus duidelijker ongepast”. De vakbond verklaringen van CNT waren de meest “gunstige” voor de arbeiders: “Oorlog, productie en verkoop. Er zijn geen vereisten voor loon of een andere vereisten. Allen moeten gehoorzamen aan de belangen van de oorlog”.

De Communistische Partij van Spanje gierde “Geen stakingen in het democratische Spanje! Geen werkloze arbeider in reserve!”. De collectieven als instrumenten van “arbeidskracht” en “socialisatie” in de handen van de overheid werden gebruikt om de forse verslechtering van de levensstandaard van de arbeiders te rechtvaardigen.

Het collectief van “Grouse” in Uska was zelfs zo: “vrouwen van wie de behoeftes door gezinnen worden voldaan worden de lonen niet betaald”. “Het collectief “Ospitale” in Barcelona: “Gezien de behoefte van extra belastingen, verwerpen wij 5% salarisverhoging en de werkdag die door de regering waren geaccepteerd.”

Conclusie

Analyse van de pijnlijke historische ervaring van de Spaanse proletariaat, toen de burgerij gelukte het proletariaat te bedriegen door middel van de collectieven is een belangrijke noodzakelijkheid zodat wij de volgende keer niet in dezelfde val vallen. Om ons te winnen, om ons te dwingen aan de voorwaarden van overexploitatie en de werkloosheid accepteren, gebruikt de bourgeoisie illusie: Zij kleedt zich als een “arbeiders” als een “vriend van volk”. Fabrieken worden gegeven als “gesocialiseerde” en “zelfbesturende”. Zij oproepen tot solidariteit tussen de klassen onder de vlag van antifascisme, tot beschermen de democratie, de strijd tegen het terrorisme … Zij inspireert de arbeiders dat ze “vrij” dat zij “controle” van de economie hebben, enz. Maar onder de democratie en zelfbestuur is de burgerlijke staatsapparaat verborgen die met al zijn wreedheid de kapitalistische productiewijze ondersteunt.

Leren van fouten. Collectieven 1936-1939 periode waren verraderlijke modellen, paradijs van een mooie illusie, waardoor het kapitalisme de arbeiders nederlaag tegendrijft. De lessen van deze gebeurtenissen moesten aan de hedendaagse proletariaat een mogelijkheid geven de val om te zeilen die het kapitaal maakt om eindelijk tot bevrijding te komen.