We vervolgen onze serie artikelen onder de titel “De politieke klassenstrijd van boven”, en vandaag willen we economische en sociale ontwikkeling van de laatste jaren in Cuba en Venezuela analyseren. In het artikel is er vernietigende kritiek van illusies die in de loop der jaren linkskleinburgerlijke politiek m.b.t. regimes in Havana en Caracas hebben gebouwd. We hebben geprobeerd om ons begrip van het concept van de sociaalrevolutionaire antipolitiek, zijn rol in de organisatie van de sociaalrevolutionaire groepen en de vorming van de revolutionaire subjectiviteit te presenteren.

Zoals wij reeds bovenop formuleerden, kan er geen niet- of antikapitalistische staten zijn. Daarom kon en kan ook linkse regeringspolitiek in het tijdperk van het kapitalisme alleen kapitalistisch zijn. We willen hier het kapitalistische economie- en sociaal politiek in de twee linker paradijzen Cuba en Venezuela kort beschrijven.

Boven merkten wij het sociaaleconomische mechanisme, dat vanaf een bepaald punt de staatskapitalistische politbureaucratie pro-privaatkapitalistische politiek overgeeft. Dit punt is reeds in Cuba bereikt. Dat was waarschijnlijk ook de belangrijkste reden in 2015 gemaakte politieke en diplomatieke toenadering tussen Havana en Washington, ook al de links-burgerlijke Flakschiff van “anti-imperialisme”, de junge Welt, andersom, namelijk als een “overwinning van het socialisme” voorstelt. Wij proletarische revolutionairen strijden zowel de concurrentie als de samenwerking tussen het privaat- en de staatskapitalistische regime. “Das Pack schlägt und verträgt sich” – en altijd ten koste van het wereldproletariaat.

Sinds 2012 op de staatskapitalistische eiland in de niet-agrarische sector particuliere bedrijven in coöperatieve vorm zijn toegestaan, die in de horeca, in de afval recycling, transport en andere gebieden werkzaam zijn. Wij zijn altijd tegen de coöperatie illusie die er zowel binnen de marxistische als anarchistische kleinburgerlijke politieke linksen zijn. Coöperaties zijn in het kapitalisme kleinburgerlijke collectieve vormen van de warenproductie. Niets anders stellen ze zich ook op Cuba voor. Coöperaties in het privaat- en staatskapitalisme zijn niet de uitweg uit de klassenmaatschappij, integendeel, veel oorspronkelijk kleinburgerlijk-collectieve vormen van warenproductie ontwikkelden zich tot kapitalistische grote ondernemingen. In Cuba vormen de coöperaties de invalspoort van de sluipende privatisering van het kapitaal. Zo werkten in oktober 2014 473.000 mensen in 188 door de Cubaanse regering goedgekeurde privaatondernemingen in coöperatieve vorm. Dat was 28.000 mensen meer dan aan het begin van 2014. Er worden nog 5mln proletariërs in staatskapitalistische sector uitgebuit. Toch heeft dit duidelijk de tendens te dalen terwijl de private kapitalistische sector groeit. Dat weten we alles van Chinese transformatie naar het privaatkapitalisme. Read the rest of this entry »

In de voortzetting van de serie artikelen over het kapitalistische economische politiek als klassenstrijd van boven wilden we graag ingaan naar het voorbeeld van enkele privaatkapitalistische landen. In het bijzonder gaan we hebben over de komst van de links-nationalistische coalitie SYRIZA aan de macht in Griekenland, over de groei van de economische en imperialistische invloed van Duitsland, evenals de verzwakking en de stagnatie van het Franse nationale kapitaal.

Syriza tegen het Griekse proletariaat

De globale economische crisis van 2008 was het kolossale mislukking van de “neoliberale” strategie door het verhogen van de uitbuiting van het proletariaat om de winstvoeten te stabiliseren en door export oriëntering ofwel consumptie op krediet de negatieve effecten van de daling van de koopkracht van de loontrekkers uit te wijken. De medicijn tegen de globale economische crisis, de nationale bankredding- en conjunctuurprogramma’s verslonden wederom veel geld en leidden tot een toenemende schuldenlast van sommige landen zoals bijvoorbeeld Griekenland die vervolgens ter wille van de financiële kapitalistische schuldeisers door de instellingen Internationaal Muntfonds (IMF), de Europese Centrale Bank ( ECB) en de EU met ” “hulppakketten”, dwz nieuwe leningen onder “strenge bezuinigingen” werd gered. Het proletariaat van Griekenland betaalde de financiële kapitalistische “redding” met een enorme verarmingspiraal die hij meedogenloos naar beneden.

In de verhouding tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Griekenland werd ook de vuile spel van de rechts en links nationalisten bij de splitsing van het wereldproletariaat duidelijk. Terwijl de Duitse rechtsnationalisten tegen de “failliete Grieken” ophitsen die de hardwerkende Duitsers op zak teren, traden de Griekse linksnationalisten van Syriza nog voor hun parlementaire machtverovering met de slogan in de verkiezingscampagne “Merkel of Griekenland”. De Duitse rechtsnationalisten stelden de krediet van het IMF, de EU en de ECB, die Athene vanzelfsprekend met rente terugbetalen en daarvoor de economie kapot bezuinigen en het proletariaat in de naakte ellende zou moeten begaan, als gulle gift voor, dat de Duitse belastingbetalers spenderen. De linkse nationalistische Syriza weer toonden hun nationalistische slogans al vóór de machtiging door de kiezers wat zij(Syriza) in werkelijkheid is: “Merkel of Griekenland”. Griekenland, dat was en is het Griekse nationaal kapitaal, die de Griekse volk als schijnbare schiksal gemeenschap uit kapitaal en arbeid die door het Duitse imperialisme beschadigd wordt. De imperialistische gedwongen bezuinigingen ruïneerde het Griekse nationale kapitaal en destabiliseerde het door de toenemende verarming van het proletariaat. “Merkel of Griekenland” betekent: Griekse bourgeoisie, we vechten voor u tegen buitenlandse imperialisme. “Merkel of Griekenland” leidde het proletariaat in Griekenland van zijn ware klassenvijand, kapitalisme af, en maakte het stemvee van Syriza, de nieuwe heersende karakter masker van het Griekse nationale kapitaal.

Grotendeel van de Duitse linksen hadden niets tegen de slogan als “Merkel of Griekenland”. Integendeel, kwam toch na de failliete ideologieën van de linkse kleinburgerij in de zogenaamde “progressieve nationalisme van de onderdrukte natie” tot uiting. Elke nationalisme is saciaal-reactionair want het nationalisme van de onderdrukte naties dient alleen de belangen van de bourgeoisie en politbazen die soms onder de linkse of de “antikapitalistische” masker verborgen zijn en is bedoeld om het proletariaat in een nationale kapitaal te integreren. In Duitsland kunnen zich linkse kleinburger(es)s met het “solidaire” napraten “Merkel of Griekenland” krankzinnig radicaal voelen, in Griekenland trekt deze slogan zijn reactionaire snoet. Natuurlijk moeten de sociaal revolutionairen in Griekenland en Duitsland ook tegen het Duitse imperialisme strijden, maar in het kader van hun strijd tegen het wereldkapitalisme. Overal in de wereld moeten proletarische revolutionairen Syriza als erbarmelijk stinkende reactionaire afvalhoop bestrijden en de nationalistische zinsnede “Merkel of Griekenland” de positie “wereldproletariaat tegen wereldbourgeoisie” tegenoverstellen! Read the rest of this entry »

In het derde artikel gaan we hebben over de organisatie van uitbuiting van het proletariaat in het privaatkapitalisme en staatskapitalisme en zijn verhouding tot het burgerlijke politiek in beide systemen. We gaan ook gedetailleerd hebben over de basis van ontstaan van de kapitalistische crisissen. In het artikel bestaat ook de analyse van de tegenreactie van het kapitaal op de crisis van de winst productie die in het midden van de jaren ’70 in het Westen als “neoliberale”aanval begon. We gaan ook in detail bekijken de gevolgen van de overgave van de Sovjet`s staatskapitalisme in de Koude Oorlog en ook de oorzaken van de globale financiële crisis in 2007-2008.

De kapitalistische productiewijze en het burgerlijke politiek brengen onderling voort en reproduceren elkaar. Onder politiek begrijpen we de staatsvorm en maatschappelijke organisatie van de klassenmaatschappij. In een maatschappij waarin de kapitalistische productiewijze heerst, kan het politiek slechts kapitalistisch zijn. Antikapitalistisch politiek van de staten bestaan alleen in de verbeelding van de linker kleinburger(essen)s. In werkelijkheid waren en zijn ook deze linksburgerlijke paradijzen staatskapitalistische naties (Cuba) of en gebruikelijke staatsinterventionisme in het kader van privaatkapitalisme (Venezuela). In deze linksburgerlijke paradijzen komen wij nog hieronder later terug.

De professionele politici leven in het kapitalisme van de toegevoegde waarde die het proletariaat produceert. Politici leven door de kapitalistische uitbuiting van het proletariaat. In het staatskapitalisme (USSR, DDR …), waar bijna de gehele economie genationaliseerd was, vormden de marxistisch-leninistische politbazen de heersende klasse die het proletariaat over de staat uitbuitte. De partij en staatsbureaucraten van de staatskapitalistische naties waren de beheerd(st)ers van de staat en daarmee ook van de staatsproductie. De staatskapitalistische politbazen bezatten de productiemiddelen niet persoonlijk, maar ze beschikten als beheerd(st)ers van de staat erover. De proletariërs moesten hun arbeid aan de staat verhuren die door het proletariaat geproduceerde toegevoegde waarde direct via staatsbedrijven toe-eigende. Door het belasten van het proletariaat eigenden de partij-, de staats-, de vakbond- en de economische bazen in het staatskapitalisme ook indirect de door het proletariaat geproduceerde toegevoegde waarde toe. Deze politieke toe-eigeningsvorm van de meerwaarde via de belasting heerst in het privaatkapitalisme want hier zijn staatsbedrijven een uitzondering en niet de regel. De toegevoegde waarde wordt hier door het proletariaat in privaatkapitalistische ondernemingen geproduceerd. De burgerlijke staat eigent door middel van de belastingheffing van de bourgeoisie (kapitalisten, managers en hoge professionele politici) en het proletariaat een deel van de toegevoegde waarde toe. Door deze toegevoegde waarde leven ook de lokale, regionale parlementsleden en de regeringspolitici. In het privaatkapitalisme vormen de hoge professionele politici de politieke uitlopers van de bourgeoisie, wiens sociaaleconomische kern de kapitalisten en beheerd(st)ers vormen. Read the rest of this entry »

In het tweede artikel van onze tekst “De politieke klassenstrijd van boven”, willen we in detail analyseren van de samenwerking en concurrentie van de afzonderlijke nationale kapitalen. We hebben ook uitgewerkt hoe de geopolitieke en geostrategische verdeling van invloedssferen in de wereld. In het bijzonder onderzochten we de opkomst en ontwikkeling van de imperialistische conflicten in Oekraïne, Krim, Syrië en Jemen, en, natuurlijk, in Rojava.

Het wereldkapitaal bestaat alleen als samenwerking en concurrentie van de nationale kapitalen. De nationale kapitalen vormen de inheemse gezamenlijk kapitalen op het grondgebied van de natiestaten. Zo zijn er de landen die de lokale totaal vermogen van nationaal kapitaal vormen en in de internationale concurrentie naar buiten vertegenwoordigen. In deze vertegenwoordiging ten opzichte van de buitenlandse concurrentie vormen de natiestaten de ideale totale nationale kapitalisten en het geweldapparaat van de inheemse bourgeoisie. De internationale concurrentiestrijd tussen natiestaten en nationale kapitalen wordt voor bronnen van grondstoffen, afzetmarkten, investeringvelden net als geopolitieke en geostrategische posities zowel economisch, diplomatische-politiek, ideologisch-propagandistisch als militaire uitgevoerd – en zwaar altijd ten koste van de loonafhankelijken. Het wereldproletariaat produceert de rijkdom van naties en wordt uitgeperst als een citroen. Overal in de wereld proletariërs sterven van de honger, koud, “eigenlijk” geneesbare ziekten, bij “arbeidsongevallen” en in militaire conflicten, waarin de verschillende politieke en ideologische en nationale fracties van globaal kapitaal tegen elkaar uitvoeren.

De economische samenwerking en concurrentie van de nationale kapitalen vindt plaats in de wereldmarkt, bij de internationale export en import van goederen en kapitaal. De klassieke imperialistische verhouding tussen een ontwikkeld kapitalistisch land en een ontwikkelingsland is dat de eerste in eerste instantie industriewaren exporteert en landbouwproducten en grondstoffen importeert, terwijl bij de laatste omgekeerd is. Een economisch imperialistische natie exporteert meer goederen en kapitaal dan zij importeert. Productieve kapitaalexport is, als bijvoorbeeld het Duitse autofabrikant VW onder anderen fabrieken in de Verenigde Staten en China opricht. Ontwikkelingslanden proberen op deze manier kapitalistisch te moderniseren door zij land mensen voor de kapitaalimport organiseren, hun natie voor de winstbehoeften van buitenlands nationaalkapitaal fit maken. De regerende politici van deze naties adverteren dan bij andere nationaalkapitalen, hoe ijverig en goedkoop hun arbeidskrachten zijn. Tegelijkertijd proberen de productief kapitaal importerende naties deze kapitaalimport met een technologie- en managementtransfer te verbinden. Als dat lukt, spreekt men van een succesvolle late kapitalistische modernisering, waarvoor China een voorbeeld is. Trouwens is China nu ook op de uitvoer van kapitaal overgeschakeld en zijn inruil met vele andere landen van drie continenten (Azië, Afrika en Latijns-Amerika) zijn klassieke verhoudingsvoorbeelden tussen de industriële en de ontwikkelingslanden geworden: China exporteert grotendeel industriële waren en importeert landbouwproducten en grondstoffen. “Bovendien” heeft China sinds 1979 de transformatie van de staats- tot het privaatkapitalisme gemaakt. Deze succesvolle kapitalistische modernisering vond vanzelfsprekend volledig op de botten van de Chinese proletariaat plaats. Read the rest of this entry »

We beginnen met een serie artikelen onder de titel “De politieke klassenstrijd van boven”. In het eerste artikel willen we ingaan op de organisatie van de uitbuiting van het proletariaat in het productieproces, zijn rol en zijn plek in dit proces en in de kapitaalvermeerdering. Bovendien, in het artikel is er kritiek van productieve en onproductieve ellende van het proletariaat, evenals analyse van de conservatiefreactionaire en progressierevolutionaire tendensen in de klassenstrijd.

Het wereldkapitalisme bestaat uit vele nationaalkapitalen (het maatschappelijk gezamenlijk kapitaal van een natie), die op hun beurt uit enkele kapitalen bestaan. Het kapitaal bestaat zowel uit dingen – productiemiddelen als zakelijk productief kapitaal, de geproduceerde goederen als het wereldkapitaal en uit het geldkapitaal kapitaalgoederen – evenals uit de mensen, namelijk de bourgeoisie als de klas van de eigenar(ess)en en beheerd(st)ers(managers)van de productiemiddelen, goederen en het geld. Kapitaal is zich vermeerderende geld. Kapitalistische warenproductie betekent, dat alleen nuttig of minder nuttig en zelfs dodelijke producten zoals wapens alleen worden geproduceerd, om met de verkoop van deze producten het geld te vermeerderen. Aan het einde van de productie moet meer geld uitkomen dan deze heeft gekost.

Kapitalistisch zijn dus die individuen en instellingen (partijen, kerken, vakbonden, staten, enz.) het geld, goederen en productiemiddelen bezetten, om daarmee een ​​productieve activiteit te organiseren, die uiteindelijk de operatie het geld van de eigenaar(ess)en vermeerdert. In het huidig globaal kapitalisme prevaleert het privaatbezit van productiemiddelen. De institutionele eigendom, zoals de staatseigendom van productiemiddelen, geeft zich soms niet direct als kapitalistisch te herkennen en sluipt onder een socialistische masker. Echter de zogenaamde “socialistische landen”, zoals de Sovjet-Unie, DDR(Oost-Duitsland), enz. bezatten de productiemiddelen, goederen en geld, waarmee warenproductie organiseerden en het proletariaat uitbuitten net als in privaatkapitalisme. De zogenaamde Oostblok was dus staatskapitalistisch. Hoewel de partij- en staat bureaucraten niet persoonlijk bij het kapitaal horden, horden zij bij de staat als institutionele eigendom, waren de “communistische” politbazen de manager(es)s van het staatskapitalisme.

De particulieren en instellingen die geld, goederen en productiemiddelen bezitten kunnen dit kapitaal vermenigvuldigen laten door het huren de productiemiddelloze mensen (het proletariaat). Het productiemiddelvrij proletariaat bestaat soms uit vrije persoonlijkheden en soms uit minder vrije, die hun arbeidskracht aan de kapitalistische privaateigenar(ess)en en instellingen moeten verhuren want ze hebben het geld nodig, want alle noodzakelijke goederen kosten geld in het kapitalisme. De proletariërs verhuren zo hun arbeidkracht aan het kapitaal om te kunnen overleven. Read the rest of this entry »

In ons laatste artikel over Cayo Brendel willen we nogmaals benadrukken het belang van de revolutionaire erfgoed, alsmede de kwestie van de bouw, de ontwikkeling en het voortbestaan van de sociaalrevolutionaire groepen te analyseren.

De onderschatting van het belang van sociaalrevolutionaire groepen in niet-revolutionaire tijden was grootste fout van Cajo Brendel. Hoewel hij in de sociaalrevolutionaire groepen actief was, rijst de vraag, hoe moeten redelijkerwijs zulke groepen opgebouwd en uitgebreid worden, als hun belang wordt onderschat? In de sociaalrevolutionaire groep waar de Cajo Brendel van zijn laatste jaren actief was, “Daad en Gedachte”, ontbond aan het eind de 1990 jaren. Met de ontbinding van de traditionele radencommunistische groep en de dood van Cajo Brendel in 2007 stierf de radencommunisme in Nederland als een georganiseerde sociale revolutionaire stroom diens de intellectuele en praktische neergang al vele jaren eerder begonnen was.

Cajos langjarige kameraad, de Franse revolutionaire denker en practicus Henri Simon reageerde op de neergang en het einde van “Daad en Gedachte”: “Er is een vraag die voor mij, in de afgelopen jaren na het eind van de “Daad en Gedachte” als groep en als een tijdschrift, interessant was. Zeker, de meeste van hen, die het project had gesteund, waren gestorven. Maar “Daad en Gedachte” had een aantal jongere kameraden bijgetrokken, die toch niet erom wilden zorgen, om het werk van Cajo te laten voortzetten. Mogelijkerwijs had de ontbinding van de groep ook ermee te maken dat Cajo met zijn dominante intellectuele positie ongewild hen enthousiasme in de kiem verstikte, die estafette zouden kunnen overnemen. In zekere zin is het misschien ook een gevolg ervan dat het kapitalisme zich verder ontwikkeld heeft en daarmee de ideeën van de jongeren.

Eerlijk gezegd, heb ik geen echte antwoord op deze vraag. Maar wat ik weet, dat een grote deel van Cajo`s schriften zijn betekenis heeft behouden voor ons nadenken over de wereld van vandaag en actuele strijden – zelfs vanuit het perspectief van vandaag ten aanzien van hen komen veel vragen en polemieken voor. Ze blijven de sleutel tot het begrijpen van gebeurtenissen uit het verleden en de patronen zijn methodisch-analytische benadering van deze vraag.” (Henri Simon, Cajo Brendel – Persönliche Erinnerungen , in: Cajo Brendel Die Revolution ist keine Parteisache, a.a.O., blz. 32.).

Voor deze verklaringen van Henri Simon willen we ook onze zegje doen: De dominantie van Cajo Brendel binnen “Daad en Gedachte” was uitdrukking van de neergang van de traditionele radencommunisme. Levendige sociaalrevolutionaire stromen moeten in staat zijn hen collectieve theorievorming te ontwikkelen. Een sociaal revolutionaire stroom, die niet meer te reproduceren weet na de biologische neergang en de dood van een toonaangevend theoreticus, niet levensvatbaar is. Het eind van de “Daad en Gedachte” is daarom vanuit ons oogpunt een uitdrukking van de overleefheid van de traditionele radencommunisme. De progressieve en theoretisch vruchtbare tendensen van het levenswerk van Cajo Brendel kunnen niet meer in de traditioneel-radencommunistische vorm verder leven, maar ze moeten en zullen het in de sociaalrevolutionaire stromen van het heden en de toekomst – onder andere ook door ons postanarchistische en postmarxistische communisten, een stroom van sociaalrevolutionaire arbeiders, werklozen en studenten die zich ook met zijn hulp van de kleinburgerlijke politiek losmaken en zich naar de mogelijke proletarische zelfafschaffing draaide.

In het tweede artikel over Cajo Brendel willen we vooral aandacht geven aan zijn analyse van de Russische revolutie en aan de dictatuur van het proletariaat. Daarnaast hebben we ook bekritiseerd de positie van het marxisme en leninisme over de kwestie van de dictatuur van het proletariaat en presenteerden wij ons begrip van dit belangrijke concept. In aanvulling bekritiseren wij ook in  dit artikel, de overdrijving van de rol van spontaniteit en klasseninstinct van het proletariaat in de klassenstrijd, vaak gebruikelijk bij Cajo Brendel. Bovendien presenteerden wij onze visie op de dialectische relatie tussen de klassenstrijd, klassenbewustzijn en sociaalrevolutionaire groepen.

Cajo Brendel bleef in de radencommunistische traditie doordat hij de “socialistische landen” duidelijk staatskapitalistisch analyseerde. Hij hield zich vooral met de machtsstrijd tussen de ideologisch-politiek gedomineerde partij/staatsbureaucratie en de bedrijfsbureaucratische technocraten/managers. Maar het feit, dat de maatschappelijke belangen en psychologische behoeften van technocraten ook verbonden met de omvorming van het staatskapitalisme privékapitalisme waren, dat wil zeggen herstructurering(perestrojka), erkende Cajo relatief laat. Hier had hij een kritische koppeling van Trotski`s ideologie kunnen helpen die ondanks zijn ruwe ideologie van de Sovjet-Unie als “bureaucratisch gedegenereerde arbeidersstaat” die mogelijkheid van Gorbatsjov perestrojka voorzag.

Ook hebben we niet volledig eens met de analyse van Russische Revolutie van Cajo, waar hij naar onze mening te schematisch de verhouding tussen de ontwikkeling van de productiekrachten en de proletarische zelforganisatie van 1917-1921 ziet. Cajo herkende niet in volle omvang dat de prerevolutionaire Rusland weliswaar overwegend een agrarisch land was maar in de agrarische zee waren hoog ontwikkelde kapitalistische eilanden en het Russische proletariaat arbeidde in de meest moderne grootschalige bedrijven van die tijd. De reflectie van dit feit had hij als een consequente bolsjewisme-criticus van Trotski kunnen overnemen. Natuurlijk werd uiteindelijk de nederlaag van het Russische proletariaat tegen de staatskapitalistische reactie door het lage niveau van de productieve krachten en qua aantal zwakheid van de arbeid(st)ersklasse bepaald, maar dat rechtvaardigt niet het schematisme van Cajo. Zo kenmerkte hij sterk schematisch de antifeodaal-antiprivatekapitalistische revolutie en haar transformatie in de staatskapitalistische contrarevolutie als “burgerlijke revolutie” en vergeleek ze steeds opnieuw met de Grote Franse Revolutie van 1789-1799, zonder het grote verschil tussen de beide revoluties in de hele omvang te bevatten: In de Russische Revolutie 1917-1921 waren er in tegenstelling tot Frankrijk tijdens zijn Grote Revolutie arbeidersraden als zelforganisatie van het weliswaar qua aantal zwaak maar buitengewoon militante Russische proletariaat. Ook de staatskapitalistische contrarevolutie de bolsjewieken verklaarde Cajo niet in de eerste plaats met het feit dat het bolsjewisme een kleinburgerlijk-intellectuele stroming was, die zich door de verovering van de macht in een staatskapitalistisch-sociaalreactionaire stroming omzette maar overwegend uit de economische onderontwikkeling van Sovjet-Rusland. Laatste kan maar alleen de overwinning van het bolsjewisme tegen de Kronstadt matrozen in 1921 verklaren, maar niet hun contrarevolutionaire sociale karakter, die zich van de burgerlijke karakter naar de bolsjewistische partij verklaart.

Cajo Brendel bleef ook een compromisloze criticus van de leninistische ideologie, maar zijn kritiek bleef binnen “marxisme” en bestond gedeeltelijk uit ideologische dogma’s. Zelfs de “marxistische antileninisme” van Cajo Brendel had de neiging te ontkennen of bagatelliseren van de staatskapitalistische-reactionaire elementen van de marxistische theorie.

In tegenstelling tot de sociaaldemocratische en “communistische” partijen en sekten, die deelnamen aan de verkiezingen, was Cayo Brendel een consistente criticus van het parlementarisme en hij was niet klaar als 99,9 procent van de antifascisten, om de democratie tegen de nazi`s te verdedigen, hoewel hij natuurlijk de noodzaak van een consistente strijd tegen neofascisme erkende. Zo zei hij in een interview met kameraad Rode Duivel over de neofascistische gevaar en bestrijding: “Met het heroplevende fascisme, is het natuurlijk zo besteld, dat het in diverse landen niet altijd helemaal hetzelfde karakter of dezelfde oorzaken heeft. Maar welke vorm dan ook het heeft of welke oorzaken dan ook het heeft, moet hij worden bestreden. Maar met een bestrijding uit naam van de burgerlijke democratie wil ik niets te maken hebben”. (Hüte Dich vor jedem Mythos! Interview 1999, in:  Cajo Brendel, Die Revolution ist keine Parteisache, a.a.O., S. 290.) Read the rest of this entry »