Archive for the ‘reproductieve klassenstrijd’ Category

Op de honderdste verjaardag van de Russische revolutie van 1917-1921 beginnen we een serie teksten over deze grote gebeurtenis in de geschiedenis van de klassenstrijd van het proletariaat. In het eerste deel hebben we ons gericht op de ontwikkeling en de eigenaardigheden van het kapitalisme in tsaristische Rusland, de eerste Russische revolutie van 1905-1907 en aan de Eerste Wereldoorlog. In de tekst is er ook een analyse van de agrarische vraagstuk in de prerevolutionaire Rusland op basis van de oorspronkelijke boerengemeenschap.

De opkomst en ontwikkeling van het kapitalisme in tsaristische Rusland

De prerevolutionaire Rusland was een agrarisch land maar reeds in overgangsperiode van het feodalisme naar het kapitalisme. Het was in ontwikkeling in vergelijking met West-Europa en Noord-Amerika ver achter in zijn technologische en sociaaleconomische ontwikkeling. Echter met de ontwikkeling van de kapitalistische wereldmarkt is ook de geschiedenis van de nationale staten een deel van de geschiedenis van het globale kapitalisme. Achterblijvende nationale staten herhalen niet blind de geschiedenis van de gevorderde naties. De globale concurrentiestrijd van de nationale staten dwingt de regeringen van onderontwikkelde naties hun eigen ontwikkeling te versnellen als ze niet in de economische, politiek-diplomatieke en militaire machtsstrijd tegen de paal willen lopen. De sterkste wapen in de globale concurrentiestrijd van nationale staten is een was een hoge arbeidsproductiviteit.

Ook het tsaristische Rusland probeerde zijn agrarische sector met burgerlijke manier te moderniseren en de industrialisatie van het land aan te pakken. Maar de regering wilde een politieke transformatie van de tsaristische autocratie naar de privaatkapitalistische democratie verhinderen. Echter kon het tsaristische Rusland de burgerlijke modernisering slecht aanpakken. De uiteindelijke omzetting van een agrarische- naar een industriestaat voltrokken eerst de partij- “communistische” beroepspolitici op basis van staatskapitalistische productieverhouding.

Een burgerlijke modernisering van de landbouw, die de tsaristische staat al aanpakte, betekende de afschaffing van de lijfeigenschap en de transformatie van alle grond in potentieel kapitaal, door de agrarische kapitalisten het landelijke proletariaat uitbuiten. Vanzelfsprekend zijn er in een gekapitaliseerde landbouw kleine boerINen. Absoluut onverenigbaar is in een kapitalistische landbouw met de primitieve boerengemeenschappen kleine privé-eigenaren die zelfgenoegzaam bijna alles produceerden wat ze nodig hadden en alleen het overschot in geproduceerde goederen veranderden. Kapitalistische landbouw is ook de landbouwproductie voor de markt en de transformatie van de boerINen in de marktsubjecten die voor de globale agrarische markt produceren en op de voedsel- en landbouwtechniekmarkten consumeren. In Engeland ontwikkelde zich het agrarische kapitalisme in de 16e eeuw op de begraafplaats van de primitieve boerengemeenschap van kleine privaateigenarESSen, de Allmende(Gemene Gronden). De voormalige adellijke grootgrondbezitters verburgerlijkten en verpachtten de grond voor de landbouwkapitalisten. Beide klassen leefden door de uitbuiting van het landbouwproletariaat. (more…)

Advertisements

De Februarirevolutie van 1917 was een klassiek voorbeeld van zelfgeorganiseerde proletarische klassenstrijd van het hoogste potentieel. Het proletariaat van Petrograd ging zelfstandig de strijd aan en verpletterde het verrotte tsaristische regime. Geen enkele partij of vakbond had tot deze enorme massastrijd opgeroepen. De geproletariseerde mensen van de toenmalige Russische hoofdstad gaven een goed voorbeeld van de directe sociale zelforganisatie, waarin de directe actie en het organiseren van deze actie samenvallen. Er werd geen democratische stemming voor de actie georganiseerd, de actie was de praktische stemming. Alle groot- en kleinburgerlijke burgermannetjes – met inbegrip van de meeste partijmarxisten – kunnen hierin slechts “spontaniteit” zien maar niet de directe sociale zelforganisatie van het strijdende proletariaat.

In deze directe actie van het Petrogradse proletariaat heeft de in de totale klasse betrekkelijk dunne laag van bewuste sociale revolutionaire arbeidSTers een zeer belangrijke rol gespeeld, die tevens de proletarische vleugels van het marxisme en het anarchisme vertegenwoordigde. Die heeft de meerderheid van de klasse geïnspireerd tot de daad en aan deze daad richting en oriëntatie toegevoegd.

Vanzelfsprekend is de directe sociale zelforganisatie en de directe massaorganisatie van het proletariaat niet voldoende voor de overwinning van de sociale revolutie d.w.z. de opheffing van de politiek en de warenproductie en daarmee de zelfopheffing van het proletariaat. Opheffing van de warenproductie betekent het overbrengen van de productiemiddelen in de totaal maatschappelijke beschikkingsmacht en productieve activiteit voor de directe individuele en collectieve behoeften – en niet voor een anonieme markt waar de mensen op van elkaar gescheiden productieplaatsen geproduceerde waren ruilen tegen geld en het geld ruilen voor productiemiddelen en consumptiegoederen. Totaalmaatschappelijke productie betekent niet staatsproductie omdat de staat een hiërarchisch-bureaucratisch geweldsapparaat is en staatseigendom van industriële productiemiddelen slechts beschikkingsmacht van de staatsbureaucratie kan betekenen. Het proletariaat wordt door nationalisaties gereproduceerd als van de productiemiddelen gescheiden mensenmenigte die zijn collectieve arbeidskracht aan de staat moet verhuren – dit echter individueel.

Het partijmarxisme met zijn verstatelijking van productiemiddelen reproduceerde als politieke stroming de politiek als organisatie van de maatschappij door de staat en de warenproductie in staatskapitalistische vorm. Maar ook niet weinig sociaal revolutionaire arbeidSTers in toenmalige Rusland hadden staatskapitalistische illusies en volgden de kleinburgerlijke radicale politici, temeer er toen geen praktische proletarische ervaringen met een totaal staatskapitalisme bestonden, hoewel het anarchisme deels zeer duidelijk deze sociaalreactionaire tendensen van het marxisme aan het licht had gebracht.

De totaalmaatschappelijke productie kan ook nooit ​​uit een associatie van kleine privéeigenaren bestaan. De post-kapitalistische klassen- en stateloze maatschappij kan zich ook niet op basis van de oude oorspronkelijke prekapitalistische dorpsgemeenschappen zoals bijvoorbeeld de Allmende of de Mir ontwikkelen – zelfs als mens daarbij het geld “afschaft” en loonarbeid “verbiedt”. Klein eigendom betekent altijd kleinburgerlijk individualisme, concurrentie en sociale differentiatie in kapitaal aan de ene kant, in dit geval grote boerINNen, en aan de andere kant loonarbeid, knechten en meiden. De sociale differentiatie van de Sovjet-boeren tijdens de N.E.P. (1921-1928) en de ontwikkeling van een boeren warenproductie en embryonale loonarbeid aan de andere kant, bevestigen dit eenduidig.

Vermaatschappelijking van de landbouwproductie betekent collectivisatie van de grond. Maar slechts een minderheid van de kleine boeren en het landelijke proletariaat was tijdens de Russische revolutie klaar voor een dergelijke collectivisatie. Daarom was in Rusland een zegevierende sociale revolutie vanwege de privéproducerende boeren onmogelijk. De weinige vrijwillige coöperaties voor de verstatelijking van de landbouw van 1929 waren een duidelijk teken hiervan. Coöperaties kunnen in dit geval slechts een kleinburgerlijk-collectieve vorm van warenproductie betekenen. Anarchistische en deels ook Marxistische sociaalromantici willen gewoonweg niet begrijpen dat de prekapitalistische kleinburgerlijke productieverhoudingen nooit deugen voor de opbouw van het postkapitalistisch communisme! Het marxisme bekritiseerde en bekritiseert terecht op deze kleinburgerlijke tendenties van het anarchisme. Tegenwoordig zijn zowel de anarchistische zelfbeheerideologie als de idealisering van de kleinburgerlijk-collectieve vormen van industriële productie gevaarlijke geestelijke wapens tegen het proletariaat. Wat interesseert het de anarchistische kleinburgers het feit dat bij productie in “zelfbeheer” er nog steeds waren voor de markt worden geproduceerd en dat de waar-geld relatie het menselijk denken en handelen bepaalt?

Naast de agrarische boerenopstand, die naar de transformatie van de grote landgoederen in kleine eigendom streefde, kon ook het instinctieve streven van de arbeidSTersklasse naar de collectivisatie van de industriële productie alleen maar tot een kleinburgerlijke collectieve warenproductie leiden. Want de kleinburgerlijke productieverhoudingen in de landbouw betekenen dat de landbouwproducten slechts ruilobjecten kunnen zijn die voor industriële producten ingewisseld kunnen worden – ook als menS het geld zou “afschaffen”. Dan zou er evengoed slechts een prekapitalistische ruilhandel geweest zijn – voor een korte tijd, want de uitwisseling van producten reproduceert noodzakelijk het geld als verzelfstandigde uitdrukking van de ruilwaarde. Dat wil zeggen dat in de ruil met het dorp ook bij een kleinburgerlijke collectivisatie van de industriële productie de producten daarvan noodzakelijkerwijs waren zouden zijn.

Het proletariaat kon dus objectief de kleinburgerlijke warenproductie niet opheffen, zelfs niet bij onteigening van het grootkapitaal, omdat de boerenmeerderheid van de bevolking tijdens hun agrarische opstand als deel van de Russische Revolutie de schepping van het kleine privé-eigendom nastreefde. Bovendien, leidt het instinctieve streven van de arbeidSTers naar de collectieve overname van industriële productiemiddelen onvermijdelijk tot de kleinburgerlijke collectieve vorm van de warenproductie als dit niet door het bewuste initiatief van de op dit punt heldere proletarische revolutionairen, omslaat in theoretische en praktische kritiek op sociaaleconomische categorieën als ruil, waren en geld. Maar bij de toenmalige Russische en internationale proletarische revolutionairen was de theoretische kennis van de warenproductie geringer dan heden. Maar zonder de theoretische kritiek op warenproductie leidt het alleen maar instinctieve proletarische streven naar collectivisatie van de industriële productie in praktijk onvermijdelijk tot kleinburgerlijk-collectieve productie en mentaal tot de ideologie van zelfbeheer. Tijdens de Russische Revolutie was de privékapitalistische en staatskapitalistische contrarevolutie in staat om met inzet alle middelen het ontstaan ​​van een kleinburgerlijk-collectieve industriële productie te voorkomen. Maar de ideologie van zelfbeheer in vervolg op de Februarirevolutie werd instinctief door grote delen van het proletariaat gereproduceerd terwijl de meest verschillende anarchistische en linksbolsjewistische stromingen een hele theorievorming op dit kleinburgerlijke fundament oprichtten.

Alleen onverbeterlijke kleinburgerlijk-anarchistische sociaal-romantici kunnen tegenwoordig na al deze praktische ervaring nog steeds geloven dat menS kan op basis van kleine eigenaren – los van de vraag of het nu individuele of coöperatieve eigenaren zijn – en de noodzakelijke ruil van goederen tussen hen, het geld zou kunnen “afschaffen” en de loonarbeid zou kunnen “verbieden”. Ruilhandel betekent kleinburgerlijke warenproductie en kleinburgerlijke warenproductie betekent in kiemvorm kapitaal en loonarbeid. Ruilhandel in natura kon in de praktijk slechts een primitieve vorm van warenproductie en loonarbeid zijn. Maar stellen wij ons volgens de sociaalromantische voorstellingen van onze kleinburgerlijke anarchisten voor een moment een gemeenschap voor met individuele en coöperatieve kleine eigenaren die het geld heeft “afgeschaft” en loonarbeid “verboden”. Er gaat ooit het volgende gebeuren: een iets succesvollere boer slaagt er door zijn individuele arbeid en die van “zijn” familie niet meer in zijn hele land te bebouwen. Wat nu? Maar wacht, daar zijn twee boeren in de buurt, die van hun grond niet echt kunnen leven. Zij zouden toch bij hem kunnen werken, natuurlijk niet voor het geld, want dat is “afgeschaft”. Aldus werken de niet succesvolle boeren geheel vrijwillig voor de succesvollere boeren voor betaling in natura. Maar dat moet verboden worden! Verbod op het sociaaleconomische verschijnsel van de loonarbeid die met elementair geweld uit de kleinburgerlijke warenproductie opgroeit!

Evenzo is het ook met het geld, als verzelfstandigde vorm van ruilwaarde. De ruil van goederen genereert ook de behoefte aan de verzelfstandigde ruilwaarde. De ruilwaarde is de maatschappelijk gemiddelde productietijd van een product en de prijs is de ruilwaarde in geldvorm. Stellen wij ons nu de stad voor van het kleinburgerlijk-anarchistische paradijs van individuele en coöperatieve kleinburgers waarin het geld werd “afgeschaft”. Dit zou dan tot volgende ontwikkelingen leiden: de individuele gastheer van een restaurant-café wil weer eens zijn haar laten knippen. Hij begeeft zich naar de kappSTerscoöperatie. Hij heeft de kappSTers een krat bier meegebracht waarvoor een lid van de coöperatie zijn haar knipt. De coöperatie overlegt. Een uur geleden heeft een andere caféhouder een krat bier gebracht. Zo veel bier hebben ze niet nodig… Dit kan en moet op basis van het kleinburgerlijke eigendom en ruilhandel worden opgelost. Daarom betaalt de caféhouder in de werkelijkheid voor zijn kapsel in een kappSTerscoöperatie met geld, waartegen de kappSTers alles kunnen uitwisselen, wat zij nodig hebben. De “opheffing” van het geld op basis van de kleine eigendommen en ruilhandel is dus pure fantasie!

De Februarirevolutie kon om objectieve en subjectieve redenen duidelijk niet tot opheffing van de warenproductie leiden. Maar warenproductie betekent klassen- en concurrentiestrijd. Om te ​​zorgen dat zo’n maatschappij niet afglijdt in een voortdurende open burgeroorlog, heeft zij een schijnbaar neutrale scheidsrechter nodig met regels voor de concurrentie- en klassenstrijd, en een instelling, die deze regels verwezenlijkt. Deze schijnbaar neutrale scheidsrechter, die in werkelijkheid alleen het machtsorgaan van de succesvolle kapitalistische warenproducenten kan zijn, is de burgerlijke staat. Warenproductie betekent dus altijd burgerlijke politiek als sociale organisatie. De Februarirevolutie kon om objectieve redenen niet tot de vernietiging van de staat door het proletariaat leiden. Omdat een zegevierende sociale revolutie zonder de opheffing van de politiek onmogelijk is, kon het toenmalige Russische proletariaat in februari 1917 objectief niet winnen. Het moest noodzakelijkerwijs door de politieke contrarevolutie verslagen worden. Maar de contrarevolutie moest de politieke vorm veranderen, want met de Tsaar liet zich geen politiek tegen het subjectief revolutionaire proletariaat maken.

De liberale bourgeoisie had echter een tijdje nodig om te beseffen dat het met de monarchie in Rusland voorbij was. Dat is begrijpelijk want zij was zonder het gekroonde hoofd bang voor het proletariaat. De grootburgerlijke politici waren door de Februarirevolutie in een zeer moeilijke situatie terecht gekomen. Noch de tsaristische reactie noch het subjectief revolutionaire proletariaat bekommerde zich om de behoeftes van de bourgeoisie en hun politieke personeel. Maar gelukkig voor het Russische privékapitaal en zijn grootburgerlijke beroepspolitici, zorgden de mensjewistische en de “sociaalrevolutionaire” beroepspolitici op ontroerende wijze voor de sociale en politieke behoeftes van de bourgeoisie. De mensjewieken konden als politieke belangenbehartigSTers van de arbeidSTersklasse in het begin ook nog op de proletarische illusies onder hen steunen, terwijl de “sociaаlrevolutionairen” als politici die de hervorming van het grootgrondbezit leken voor te staan, de illusies van de boeren en met name de boerensoldaten konden uitbuiten. In hun eigen belang en in het belang van de bourgeoisie en haar grootburgerlijke politieke personeel.

De mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” politici gingen dan ook op 27 februari 1917 objectief over tot de offensieve contrarevolutie. Daarbij konden ze gebruik maken van de glans van de arbeidSTersraden (sovjets) van de revolutie van 1905. Zoals we al in detail hierboven beschreven, was de organisatievorm van de Petrogradse proletariaat tijdens de Februarirevolutie de directe sociale organisatie waarin de daad en de organisatie van de daad direct samenvielen. De Februarirevolutie bewees de sociale explosiviteit van de directe proletarische zelforganisatie en van haar strijdbare vorm, de dictatuur van het proletariaat. Maar de Februarirevolutie wierp “slechts” de Tsaar omver, de directe proletarische zelforganisatie was niet in staat om het kapitalisme af te schaffen. Daarvoor heeft het proletariaat een maximum aan organisatie en bewustzijn nodig. De proletarische klassenstrijd begint heel vaak in de vorm van directe sociale zelforganisatie. Maar een lange aanhoudende klassenstrijd en vooral de klassenoverwinnende strijd vereist officiële organen van de proletarische zelforganisatie en dictatuur. In 1905 waren dit de arbeidersraden (sovjets).

Terwijl het subjectief revolutionaire proletariaat in de straten van Petrograd nog zijn overwinning over het tsarisme verstevigde, werd op 27 februari in het Taurische paleis in Petrograd het Uitvoerend Comité van de Sovjets geschapen door voornamelijk kleinburgerlijke intellectuelen en door mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” politici, een puur politiek gedachtenspinsel. Dit in tegenstelling tot de Sovjets van 1905, die echte klassenstrijdorganen van het proletariaat waren, ook al stonden ze eveneens onder de invloed van het partijmarxistische kleinburgerlijke radicalisme. Na dit gedachtenspinsel werden vervolgens ook lokale sovjets gevormd die meer onder invloed van de proletarische klassenstrijd stonden.

Het hele Sovjetssysteem van 1917 was inderdaad ernstig misvormd door kleinburgerlijk-democratische en kleinburgerlijk-radicale beroepspolitici. Met deze vaststelling willen we het radenfetisjisme ontmaskeren, dat bij de toenmalige sociaalrevolutionairen gedeeltelijk heel sterk naar voren kwam en dat door het latere radicaal-marxistische radencommunisme werd geïdeologiseerd. De toenmalige Russische sovjets van 1917 benaderden in wezen meer de kleinburgerlijke voorstellingen van “arbeidSTersdemocratie” dan onze voorstellingen van klassenstrijdorganen van de proletarische revolutionaire zelforganisatie. Democratie is voor ons geen mooi ideaal maar de werkelijk bestaande dictatuur van het kapitaal. “ArbeidSTersdemocratie” is al een contradictio in terminis. “ArbeidSTersvolksheerschappij”! In de volksheerschappij zonder voorvoegsel is het volk een mensenmassa zonder aanduiding van klasse. Dat wil zeggen de democratie is een ideologische volksheerschappij waarachter zich de echte sociale klassenheerschappij van de bourgeoisie en haar politieke personeel verbergt. In het begrip “arbeidSTersdemocratie” wordt het wat betreft klassensamenstelling niet verder bepaalde volk versmolten met het begrip de arbeidSTersklasse en wordt een subject van een heerschappij. Maar het proletariaat kan door een sociale revolutie geen nieuwe heerschappij oprichten maar door zijn revolutionaire dictatuur “slechts” de burgerlijke staat vernietigen om vervolgens een vereniging van vrije producenten plaats te maken. Na een zegevierende wereldrevolutie als een permanente keten van vernietigingen van kapitalistische natiestaten is er geen arbeidSTersklasse, noch haar heerschappij. De sociale wereldrevolutie verwezenlijkt niet kleinburgerlijke voorstellingen van democratie maar draagt ze definitief ten grave.

De “arbeidSTersdemocratie” kan in de werkelijkheid alleen maar een kleinburgerlijke democratie zijn waarin de proletarische basis het stemvee van kleinburgerlijke beroepspolitici is. De Russische sovjets van 1917 waren in wezen ook niets anders. In deze organen stoeiden sociaaldemocratische – zowel mensjewieken als bolsjewieken – en “sociaalrevolutionaire” partijpolitici, die door arbeidSTers en boerensoldaten verkozen werden. De sovjets waren de belichaming van een kleinburgerlijk parlementarisme. Inderdaad stonden de sovjetdemocratie anderzijds onder enorme druk, namelijk die van een proletariaat dat hevig klassenstrijd voerde en subjectief sociaalrevolutionair was. Dit maakte dat de sovjets een tegenstrijdige mengelmoes waren van kleinburgerlijke democratie en kiemvormen van proletarische zelforganisatie. De kleinburgerlijk-democratische tendensen van de sovjets belichaamden de mentale zwakheden van het subjectief revolutionaire Russische proletariaat, terwijl hun kracht in de sovjetdemocratie slechts een politiek en ideologisch vervreemde vorm kon aannemen.

Nogmaals, in alle helderheid: De sovjets van 1917 waren praktisch gezien geen sociaalrevolutionaire organen van de proletarische klassenstrijd. Tegenwoordig staan sociaalrevolutionairen op het standpunt dat beroepspolitici in de organen van de proletarische klassenstrijdzelforganisatie niets te zoeken hebben. Want de sociale revolutie kan alleen de vernietiging van de burgerlijke staat betekenen, terwijl alle beroepspolitici slechts de staat kunnen reproduceren. De sovjetdemocratie van 1917 was niets anders dan de heerschappij van kleinburgerlijke democraten over het klassenstrijd voerende proletariaat. Maar deze heerschappij van de beroepspolitici in de sovjets was alleen mogelijk omdat het proletariaat in zijn meerderheid toen nog niet bewust antipolitiek was. Tegenwoordig zijn sociaalrevolutionaire intellectuelen en proletariërs of bewust antipolitiek of zij zijn duidelijk objectief niet sociaalrevolutionair. Dit heeft ons onder andere de Russische Revolutie geleerd.

De kleinburgerlijke democraten (mensjewieken en de “sociaalrevolutionairen”) hadden na de overwinning van de proletarische klassenstrijd en de soldatenrebellie maar één zorg, namelijk heel snel de politieke heerschappij te overhandigen aan de liberale bourgeoisie. Deze liberale bourgeoisie stond vanaf het begin vijandig tegenover de Februarirevolutie. De liberale Cadettenpartij was een bewuste klassenvijand van het subjectief revolutionaire proletariaat en streefde voor de Februarirevolutie naar een constitutionele monarchie, een tsaar die onder parlementaire controle stond. Van de sovjets en hun leiders verwachtte de liberale bourgeoisie en haar politieke personeel alle mogelijke onheil, maar zeker niet de satirische grap, dat zij door het kleinburgerlijk-democratische sovjetleiderschap werd gevraagd om de politieke macht over te nemen. Want volgens de marxistische ideologie van de mensjewieken was de Russische Revolutie een burgerlijke revolutie waarin de liberale bourgeoisie “logischerwijs” de politieke macht moest overnemen. In werkelijkheid kon deze politieke overname van de Russische liberale bourgeoisie alleen de sociale contrarevolutie belichamen, ongeacht het feit dat in het toenmalige Rusland een zegevierende sociale revolutie onmogelijk was.

De liberale bourgeoisie en haar politieke personeel herstelden zich snel van de verrassing toen zij door de kleinburgerlijk-democratische sovjetleiding werden gevraagd de macht over te nemen. Maar de Cadettenpartij onder leiding van Miljoekov probeerde, toen de oude tsaar al niet meer te redden was, dan tenminste het tsarisme te redden met een nieuwe tsaar. Een heel mooi toneelstukje van burgerlijke pragmatische politiek! Terwijl de Russische kleinburgers in de kont van de liberale bourgeoisie kropen, toonde deze feodale aristocratie op haar beurt slechts minachting voor de liberale bourgeoisie en flikflooide liever met de feodale aristocratie. Maar met de reproductie van het tsarisme door een nieuwe tsaar was niet langer een succesvoll contrarevolutionair politiek tegen het proletariaat te voeren. Daarom zetten de cadetten hun monarchisme voorlopig in de ijskast, en konden daarna in maart 1917 het Voorlopig Comité van de Duma voor een Voorlopige Regering als een machtsorgaan van de liberale bourgeoisie en de grootgrondbezitters vormen, die door de “sociaalrevolutionair” Kerenski als minister van Justitie werd gegarneerd. Maar de andere mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” beroepspolitici gaven er de voorkeur aan om de Sovjets te beheersen en door deze zowel als de Voorlopige Regering te steunen, een zachte druk op haar uit te oefenen.

Het resultaat van de Februarirevolutie was een dubbele macht met enerzijds de Voorlopige Regering en anderzijds de politiek gedeformeerde organen van de proletarische zelforganisatie. De voorlopige regering was ondubbelzinnig sociaalreactionair. Zij zette de imperialistische oorlog voort en vertraagde de landhervorming, terwijl de Sovjets in de handen van de kleinburgerlijke beroepspolitici waren, maar ook onder druk stonden van hun proletarische en soldaten (boeren) basis en op die manier gedeeltelijk tot organen van proletarische klassenstrijd werden. In de fabrieken schiepen de arbeidSTers hun eigen organen in de vorm van de fabriekcomités. Deze kwamen het sterkst met de bourgeoisie en de mensjewieken/“sociaalrevolutionairen” in conflict, omdat zij de zelforganisatie van de arbeidSTersklasse waren. De fabriekscomités creëerden ook de Rode Garde, een gewapende arbeidSTersmilitie, die een militante uitdrukking van de proletarische zelforganisatie was, dat wil zeggen een orgaan van de dictatuur van het proletariaat in aanzet.

Maar de fabriekscomités en de Rode Garde stonden helaas onder de invloed van de kleinburgerlijk-democratische (mensjewieken en rechts “sociaalrevolutionairen”) en later kleinburgerlijk-radicale politici (bolsjewieken en “linkse sociaalrevolutionairen”). Omdat deze organen van dictatuur van het proletariaat in de kiem niet bewust antipolitiek waren, konden ze uiteindelijk door bolsjewistische beroepspolitici tijdens het creëren van een staatskapitalistische partijdictatuur geliquideerd worden. Ook al was de revolutionaire zelfopheffing van het proletariaat, dat wil zeggen, de overgang van de proletarische naar de klassenloze zelforganisatie, vanwege de sociale zwakte van de Russische arbeidSTersklasse objectief onmogelijk, dan had het Russische proletariaat bij nog grotere sociaalrevolutionaire helderheid een nog heroïschere nederlaag tegen de kapitalistische contrarevolutie kunnen lijden. En de mogelijke overwinning van het revolutionaire wereldproletariaat wordt ook daar door heldhaftige nederlagen voorbereid, waar een overwinning nog objectief onmogelijk is. Dit is de dialectiek van de objectieve en subjectieve voorwaarden van het wereldrevolutionaire proces, dat eenduidig het verstand van de marxistische en anarchistische kleine geesten te boven gaat.

Maar het wereldproletariaat had voor 1917 geen ervaring kunnen opdoen met een openlijk contrarevolutionair optredende internationale sociaaldemocratie met inbegrip van grote delen van zijn linkervleugel, het Bolsjewisme. De talrijke praktische ervaringen, die het wereldproletariaat sindsdien met de sociaaldemocratische en “communistische” beroepspolitici kon opdoen, heeft het postmarxistische en postanarchistische communisme in theorie een duidelijk antipolitiek bewustzijn gegeven. Als dit antipolitiek bewustzijn in een sociale wereldrevolutie tot een materiële kracht wordt, wee dan de politici van het kapitaal!

Voor de 80ste verjaardag van het begin van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) beginnen we een serie artikelen over deze belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de klassenstrijd. In ons eerste artikel willen we nauwkeurig verdiepen in de geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van het kapitalisme in Spanje. We analyseerden ook het ontstaan en de ontwikkeling van de Spaanse geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in de vorm van zogenaamde arbeiderspartijen en -vakbonden voor het binnenskapitalistische conflict.

De ontstaan en de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme

Om de Spaanse Burgeroorlog tussen 1936 en 1939 te begrijpen, moet men zich met de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme tot de “uitbraak” van deze binnenskapitalistische conflict bezighouden. Want de ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal niet in een luchtledige ruimte plaatsvond, maar in het kader van het wereldkapitalisme, zullen we deze wederzijdse betrekking in het oog houden. Voor de sociaal revolutionairen is het kapitaal in de eerste plaats een sociale verhouding tussen de bourgeoisie (min of meer groot landeigenaren, kapitalisten, hoge economische managers, hoog niveau professionele politici en hoge civiele en militaire ambtenaren) en het proletariaat (de loontrekkende arbeid(st)erklasse en de non-loon werkende bezitloze lagen), met de kleinburgerij (kleine boer(in)en, handwerk(st)ers en kleine handelaren als klassieke bezittende kleinburgerij met privébezit van de productiemiddelen, door de positie en onderwijs geprivilegieerde loon afhankelijke kleinburgerij [ingenieurs, politieagenten, artsen, docenten …] alsook kleine professionele politici die nog niet volledig door de bourgeoisie erkend zijn) als buffer. Dus geven we onze korte inzicht in de Spaanse kapitalisme als een verhaal van klassenstrijden. Net als de sociaal-economische ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal alleen in de wederzijdse betrekking met de andere nationale kapitalen – die samen het wereldkapitaal vormen –  te begrijpen is, is de ontwikkeling van het proletariaat en de geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in Spanje alleen in relatie tot het wereldproletariaat en de internationale geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging te begrijpen. We vertellen het verhaal van de Spaanse proletariaat als het ene deel van het wereldproletariaat.

Spanje gaf door de Europese “ontdekking” en kolonisatie van Amerika van de late 15de eeuw heel veel impulsen voor de ontwikkeling van het moderne wereldkapitalisme, als de Spaanse bourgeoisie voor zichzelf kon opstrijken. Door de grote Europese “ontdekkingen” – met Spanje als hun grote pionier – werden externe omstandigheden voor de groei van het continentale  handel- en financiële kapitaal gecreëerd. De productie was in deze tijd nog niet kapitalistisch maar feodal-landbouweerlijk in de landbouw en kleinburgerlijk in de steden. Maar de kleinburgerlijk geproduceerde goederen werden door het handelskapitaal naar verre markten verkocht. Door de koloniale uitplundering van Amerika belandden door de handelsbourgeoisie ook Amerikaanse producten op de Europese markten. Toch Spanje als heerser van Zuid-Amerika maakte niet de glanzende kapitalistische carrière door als Nederland de voormalige Spaanse kolonie en eerste handelsnatie en Groot-Brittannië als de eerste industriële natie. Dit kan alleen worden verklaard door het feit dat onder de invloed van interne en externe factoren van het kapitalisme in Spanje minder ontwikkeld was dan in Nederland of Groot Brittannië.

Een belangrijke factor in de ontwikkeling van het kapitalisme – in het begin in het kader van het feodalisme en dan buiten – was de verovering van de staatsmacht door de bourgeoisie, waardoor de politiek een burgerlijk politiek werd. Een overgangsvorm van de feodaal – nog sterk regionaal versplitst – staat in vergelijking met de moderne burgerlijke natiestaat was absolutisme. De regionale en provinciale edelenmacht wordt door het absolutisme ten gunste van de centrale macht van monarchen enorm beperkt. Dit centralisme was een belangrijke voorvorm van moderne burgerlijke staat die vanzelfsprekend van meteen aan begin als machtsapparaat van de bourgeoisie sociaalreactionair was. Toch de absolute machtaanmatiging van monarchen richtte zich niet alleen tegen de oude adel maar ook tegen de groeiende bourgeoisie. Daarom moest absolutisme als een overgangsfase tussen feodalisme en het kapitalisme overwonnen worden – door burgerlijke staatsvormen als constitutionele een dergelijke van de overheid (dwz, parlementairs controlerend) monarchie, democratische republiek of een militaire dictatuur. De eerste burgerlijke staatvormen werden door de Nederlandse en Engels bourgeoisie veroverd, waardoor zij de politieke voorwaarden voor de economische ontwikkeling van het kapitalisme schiepen. (more…)

In ons laatste artikel willen we ingaan op de aard, de rol en de functies van de vakbonden als de co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Vooral hebben we ons gericht op de activiteiten van de Vereniging van Duitse vakbonden (DGB) en zijn conflict met de individuele sectorale vakbonden buiten de DGB. In dit artikel hebben we ook bekeken een voorbeeld van het zogenaamde vakbondimperialisme naar het voorbeeld van de activiteiten van internationale niet-gouvernementele organisaties (INGO’s) in Bangladesh, die nauw met Amerikaanse vakbondvereniging (AFL-CIO) verbonden zijn en worden door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gefinancierd.

De burgerlijke staat in de klassenstrijd is in principe het machtapparaat van de bourgeoisie tegen het proletariaat. Ten eerste ageerde de bourgeoisie principieel illegaliserend en criminaliserend tegen de proletarische klassenstrijd en de vakbonden maar het gaf alleen de verdere radicalisering van het proletariaat. In een klassenmaatschappij waarin de sociaal heersende klasse de uitgebuite klasse uitbuit, kan de strijd van de laatste tegen de eerste niet succesvol verboden worden. Dat leerde ook de bourgeoisie in een lang sociaal leerproces. Door een democratisch strijkrecht die het monopolie van de werkonderbreking in de handen van de burgerlijk-bureaucratische vakbondsapparaten ligt, precies bepaalt, wanneer gestaakt mag worden en wanneer niet, is de klassenstrijd veel succesvoller in te dammen dan door een algeheel verbod.

Door de staat verleende recht op vrije loonvorming worden de grote vakbondapparaten co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Zo stellen in Duitsland de DGB en enkele andere vakbonden door collectieve arbeidsovereenkomsten de arbeidstijden, lonen en andere arbeidsvoorwaarden van het proletariaat vast. Het ideaal van deze sociale partnerschap tussen economische bazen en vakbondbazen is om al eens aan de onderhandelingstafel te worden, zodat stakingen niet nodig zijn. Komen de sociale partners toch niet overeen, dan wordt een “tariefuiteenzetting”, d.w.z. wordt de democratisch gecastreerde en vakbondsbureaucratische klassenstrijd vernederd, onvermijdelijk.

Voor een tariefuiteenzetting kan in Duitsland door de bevoegde vakbond doorgaans een stemming uitgevoerd worden. Minstens 75% van alle vakbondsleden moeten voor een werkonderbreking stemmen, dan wordt het werkelijkheid. Maar dat is een facultatieve bepaling, de vakbondapparaten kunnen ook volledig willekeurig staking beslissen en net zo willekeurig beëindigen zoals de diensten vakbond ver.di tijdens de poststaking in Duitsland in 2015 deed. Tijdens een vakbondsuitgevoerde staking heeft zowel de vakbondsbureaucratie een instrumentale verhouding met “hun” proletarische basis als andersom. Die fulltime vakbondbazen hoeven zelf niet door hen onderhandelde tarieven leven, voor hen is belangrijk dat een overeenkomst afgesloten wordt, waardoor ze co-managers van de kapitalistische uitbuiting worden. Voor de arbeidersklasse basis is de tariefuiteenzetting de enige legale manier om te staken. Vakbondsleden krijgen tijdens de werkonderbreking van de apparaten stakinggeld, waardoor het monopolie van de vakbondbazen over de proletarische klassenstrijd nog versterkt wordt. (more…)

In de voortzetting van de serie artikelen over het kapitalistische economische politiek als klassenstrijd van boven wilden we graag ingaan naar het voorbeeld van enkele privaatkapitalistische landen. In het bijzonder gaan we hebben over de komst van de links-nationalistische coalitie SYRIZA aan de macht in Griekenland, over de groei van de economische en imperialistische invloed van Duitsland, evenals de verzwakking en de stagnatie van het Franse nationale kapitaal.

Syriza tegen het Griekse proletariaat

De globale economische crisis van 2008 was het kolossale mislukking van de “neoliberale” strategie door het verhogen van de uitbuiting van het proletariaat om de winstvoeten te stabiliseren en door export oriëntering ofwel consumptie op krediet de negatieve effecten van de daling van de koopkracht van de loontrekkers uit te wijken. De medicijn tegen de globale economische crisis, de nationale bankredding- en conjunctuurprogramma’s verslonden wederom veel geld en leidden tot een toenemende schuldenlast van sommige landen zoals bijvoorbeeld Griekenland die vervolgens ter wille van de financiële kapitalistische schuldeisers door de instellingen Internationaal Muntfonds (IMF), de Europese Centrale Bank ( ECB) en de EU met ” “hulppakketten”, dwz nieuwe leningen onder “strenge bezuinigingen” werd gered. Het proletariaat van Griekenland betaalde de financiële kapitalistische “redding” met een enorme verarmingspiraal die hij meedogenloos naar beneden.

In de verhouding tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Griekenland werd ook de vuile spel van de rechts en links nationalisten bij de splitsing van het wereldproletariaat duidelijk. Terwijl de Duitse rechtsnationalisten tegen de “failliete Grieken” ophitsen die de hardwerkende Duitsers op zak teren, traden de Griekse linksnationalisten van Syriza nog voor hun parlementaire machtverovering met de slogan in de verkiezingscampagne “Merkel of Griekenland”. De Duitse rechtsnationalisten stelden de krediet van het IMF, de EU en de ECB, die Athene vanzelfsprekend met rente terugbetalen en daarvoor de economie kapot bezuinigen en het proletariaat in de naakte ellende zou moeten begaan, als gulle gift voor, dat de Duitse belastingbetalers spenderen. De linkse nationalistische Syriza weer toonden hun nationalistische slogans al vóór de machtiging door de kiezers wat zij(Syriza) in werkelijkheid is: “Merkel of Griekenland”. Griekenland, dat was en is het Griekse nationaal kapitaal, die de Griekse volk als schijnbare schiksal gemeenschap uit kapitaal en arbeid die door het Duitse imperialisme beschadigd wordt. De imperialistische gedwongen bezuinigingen ruïneerde het Griekse nationale kapitaal en destabiliseerde het door de toenemende verarming van het proletariaat. “Merkel of Griekenland” betekent: Griekse bourgeoisie, we vechten voor u tegen buitenlandse imperialisme. “Merkel of Griekenland” leidde het proletariaat in Griekenland van zijn ware klassenvijand, kapitalisme af, en maakte het stemvee van Syriza, de nieuwe heersende karakter masker van het Griekse nationale kapitaal.

Grotendeel van de Duitse linksen hadden niets tegen de slogan als “Merkel of Griekenland”. Integendeel, kwam toch na de failliete ideologieën van de linkse kleinburgerij in de zogenaamde “progressieve nationalisme van de onderdrukte natie” tot uiting. Elke nationalisme is saciaal-reactionair want het nationalisme van de onderdrukte naties dient alleen de belangen van de bourgeoisie en politbazen die soms onder de linkse of de “antikapitalistische” masker verborgen zijn en is bedoeld om het proletariaat in een nationale kapitaal te integreren. In Duitsland kunnen zich linkse kleinburger(es)s met het “solidaire” napraten “Merkel of Griekenland” krankzinnig radicaal voelen, in Griekenland trekt deze slogan zijn reactionaire snoet. Natuurlijk moeten de sociaal revolutionairen in Griekenland en Duitsland ook tegen het Duitse imperialisme strijden, maar in het kader van hun strijd tegen het wereldkapitalisme. Overal in de wereld moeten proletarische revolutionairen Syriza als erbarmelijk stinkende reactionaire afvalhoop bestrijden en de nationalistische zinsnede “Merkel of Griekenland” de positie “wereldproletariaat tegen wereldbourgeoisie” tegenoverstellen! (more…)

In het tweede artikel van onze tekst “De politieke klassenstrijd van boven”, willen we in detail analyseren van de samenwerking en concurrentie van de afzonderlijke nationale kapitalen. We hebben ook uitgewerkt hoe de geopolitieke en geostrategische verdeling van invloedssferen in de wereld. In het bijzonder onderzochten we de opkomst en ontwikkeling van de imperialistische conflicten in Oekraïne, Krim, Syrië en Jemen, en, natuurlijk, in Rojava.

Het wereldkapitaal bestaat alleen als samenwerking en concurrentie van de nationale kapitalen. De nationale kapitalen vormen de inheemse gezamenlijk kapitalen op het grondgebied van de natiestaten. Zo zijn er de landen die de lokale totaal vermogen van nationaal kapitaal vormen en in de internationale concurrentie naar buiten vertegenwoordigen. In deze vertegenwoordiging ten opzichte van de buitenlandse concurrentie vormen de natiestaten de ideale totale nationale kapitalisten en het geweldapparaat van de inheemse bourgeoisie. De internationale concurrentiestrijd tussen natiestaten en nationale kapitalen wordt voor bronnen van grondstoffen, afzetmarkten, investeringvelden net als geopolitieke en geostrategische posities zowel economisch, diplomatische-politiek, ideologisch-propagandistisch als militaire uitgevoerd – en zwaar altijd ten koste van de loonafhankelijken. Het wereldproletariaat produceert de rijkdom van naties en wordt uitgeperst als een citroen. Overal in de wereld proletariërs sterven van de honger, koud, “eigenlijk” geneesbare ziekten, bij “arbeidsongevallen” en in militaire conflicten, waarin de verschillende politieke en ideologische en nationale fracties van globaal kapitaal tegen elkaar uitvoeren.

De economische samenwerking en concurrentie van de nationale kapitalen vindt plaats in de wereldmarkt, bij de internationale export en import van goederen en kapitaal. De klassieke imperialistische verhouding tussen een ontwikkeld kapitalistisch land en een ontwikkelingsland is dat de eerste in eerste instantie industriewaren exporteert en landbouwproducten en grondstoffen importeert, terwijl bij de laatste omgekeerd is. Een economisch imperialistische natie exporteert meer goederen en kapitaal dan zij importeert. Productieve kapitaalexport is, als bijvoorbeeld het Duitse autofabrikant VW onder anderen fabrieken in de Verenigde Staten en China opricht. Ontwikkelingslanden proberen op deze manier kapitalistisch te moderniseren door zij land mensen voor de kapitaalimport organiseren, hun natie voor de winstbehoeften van buitenlands nationaalkapitaal fit maken. De regerende politici van deze naties adverteren dan bij andere nationaalkapitalen, hoe ijverig en goedkoop hun arbeidskrachten zijn. Tegelijkertijd proberen de productief kapitaal importerende naties deze kapitaalimport met een technologie- en managementtransfer te verbinden. Als dat lukt, spreekt men van een succesvolle late kapitalistische modernisering, waarvoor China een voorbeeld is. Trouwens is China nu ook op de uitvoer van kapitaal overgeschakeld en zijn inruil met vele andere landen van drie continenten (Azië, Afrika en Latijns-Amerika) zijn klassieke verhoudingsvoorbeelden tussen de industriële en de ontwikkelingslanden geworden: China exporteert grotendeel industriële waren en importeert landbouwproducten en grondstoffen. “Bovendien” heeft China sinds 1979 de transformatie van de staats- tot het privaatkapitalisme gemaakt. Deze succesvolle kapitalistische modernisering vond vanzelfsprekend volledig op de botten van de Chinese proletariaat plaats. (more…)

We beginnen met een serie artikelen onder de titel “De politieke klassenstrijd van boven”. In het eerste artikel willen we ingaan op de organisatie van de uitbuiting van het proletariaat in het productieproces, zijn rol en zijn plek in dit proces en in de kapitaalvermeerdering. Bovendien, in het artikel is er kritiek van productieve en onproductieve ellende van het proletariaat, evenals analyse van de conservatiefreactionaire en progressierevolutionaire tendensen in de klassenstrijd.

Het wereldkapitalisme bestaat uit vele nationaalkapitalen (het maatschappelijk gezamenlijk kapitaal van een natie), die op hun beurt uit enkele kapitalen bestaan. Het kapitaal bestaat zowel uit dingen – productiemiddelen als zakelijk productief kapitaal, de geproduceerde goederen als het wereldkapitaal en uit het geldkapitaal kapitaalgoederen – evenals uit de mensen, namelijk de bourgeoisie als de klas van de eigenar(ess)en en beheerd(st)ers(managers)van de productiemiddelen, goederen en het geld. Kapitaal is zich vermeerderende geld. Kapitalistische warenproductie betekent, dat alleen nuttig of minder nuttig en zelfs dodelijke producten zoals wapens alleen worden geproduceerd, om met de verkoop van deze producten het geld te vermeerderen. Aan het einde van de productie moet meer geld uitkomen dan deze heeft gekost.

Kapitalistisch zijn dus die individuen en instellingen (partijen, kerken, vakbonden, staten, enz.) het geld, goederen en productiemiddelen bezetten, om daarmee een ​​productieve activiteit te organiseren, die uiteindelijk de operatie het geld van de eigenaar(ess)en vermeerdert. In het huidig globaal kapitalisme prevaleert het privaatbezit van productiemiddelen. De institutionele eigendom, zoals de staatseigendom van productiemiddelen, geeft zich soms niet direct als kapitalistisch te herkennen en sluipt onder een socialistische masker. Echter de zogenaamde “socialistische landen”, zoals de Sovjet-Unie, DDR(Oost-Duitsland), enz. bezatten de productiemiddelen, goederen en geld, waarmee warenproductie organiseerden en het proletariaat uitbuitten net als in privaatkapitalisme. De zogenaamde Oostblok was dus staatskapitalistisch. Hoewel de partij- en staat bureaucraten niet persoonlijk bij het kapitaal horden, horden zij bij de staat als institutionele eigendom, waren de “communistische” politbazen de manager(es)s van het staatskapitalisme.

De particulieren en instellingen die geld, goederen en productiemiddelen bezitten kunnen dit kapitaal vermenigvuldigen laten door het huren de productiemiddelloze mensen (het proletariaat). Het productiemiddelvrij proletariaat bestaat soms uit vrije persoonlijkheden en soms uit minder vrije, die hun arbeidskracht aan de kapitalistische privaateigenar(ess)en en instellingen moeten verhuren want ze hebben het geld nodig, want alle noodzakelijke goederen kosten geld in het kapitalisme. De proletariërs verhuren zo hun arbeidkracht aan het kapitaal om te kunnen overleven. (more…)