De generaals staatsgreep, klassenoorlog van het proletariaat en de contrarevolutie van het Volksfront

Posted: September 18, 2016 in CNT, Franco, franquist, Guardia Civil, Joaquin Fanjul, poum, putsch, staatsgreep, UDT, Volksfront

We gaan door met onze serie artikelen onder de titel “De Spaanse Burgeroorlog als een binnenskapitalistische conflict” en vandaag willen we de machtkomst van het Volksfront regering analyseren, de daaropvolgende generaals staatsgreep en als een antwoord op deze het ontstaan van onder partijen en vakbonden gecontroleerde arbeid(st)ersmilities. In dit artikel hebben we geprobeerd voor te stellen hoe en op welke manier in de toenmalige situatie in Spanje een denkbeeldige sociaal-revolutionaire stroming in de strijd tegen sociaalreactionaire antifascisme en Franco’s sociale reactie zou moeten optreden.

Nadat de regering van de Radicale Partij en de klerikaal-fascistische CEDA zich in de klassenstrijd tegen het proletariaat uitgeput heeft, was in februari 1936 de tijd voor de linkervleugel van de bourgeoisie had gedragen, die republikeinen en de partij- en vakbondbazen van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging – met inbegrip van de CNT bureaucratie – gekomen, om in de vorming van het kapitalistische politiek de rechtervleugel te vervangen. Bij de Socialistische Partij waren de tijden, waarin zij zich frasen over “revolutie” en “dictatuur van het proletariaat” bedwelmde, in januari 1936 uiteindelijk voorbij. Net als bij de stalinisten, de “Derde Periode”, waarin zij hun reactionaire karakter achter nog radicaler klinkende frasen verborgen. Sinds 1935 was de P“C”E net als de hele “Communistische” International op volksfront allianties met de democratische vleugel van de bourgeoisie tegen het proletariaat en tegen het fascisme beëdigd. Ook de trotskistische “linkse communisten”, was er intussen niet meer. Ze hadden zich met de rechts- “communistische” arbeid(st)er- en boerenblok in september 1935 tot de Partido Obrero de Unification Marxista (POUM, Arbeid(st)ers Partij van de Marxistische Eenheid) aaneengesloten. De POUM was duidelijk niet trotskistische, maar werd zo door de stalinisten genoemd. De aanhangers van Trotski vormden tot voorjaar 1937 een kleine minderheid in deze partij. Ook de rechtervleugel van het anarchosyndicalisme baarde een politieke partij, de Syndicalistische Party. Deze door Pestana geleide formatie was de geïnstitutionaliseerde ontkenning van de progressieve antiparlementair-antipolitiek-staatsvijandige  tendensen van het anarchisme.

De stalinisten, socialisten, de POUM en de Syndicalistische partij ondertekenden in januari 1936 met de republikeinse partijen, de republikeinse Links, de Republikeinse Unie en de Catalaanse ERC een electorale alliantie – de Frente Popular (Volksfront). Dit Volksfront was een open sociaalreactionaire pact van de geïnstitutionaliseerd arbeid(st)ersbeweging met de republikeinse vleugel van de bourgeoisie. Zelf de CNT riep bij de verkiezingen in februari 1936 niet meer voor een boycot op. Nadat deze vakbond sektarisch het proletariaat tijdens de algemene staking in oktober 1934 gesplitst had, paste zij zich tot het bittere einde opportunistisch-sociaalreactionaire aan de linkervleugel van de bourgeoisie aan. Hoewel de POUM het verkiezingsmanifest ondertekende, scheidde zich maar weer van het Volksfront. Deze schommeling van de POUM was geen tactische wijsheid, hoe hun bureaucratie beweerde, maar opportunistische aanpassing aan de linkervleugel van de bourgeoisie. De linkse handlangers van de bourgeoisie revancheerden zich met de POUM, doordat zij deze partij in juni 1937 stuksloeg…

Ook de rechtervleugel van de bourgeoisie en de grootgrondbezit(s)ters vormde zich, tot Nationaal Front – bestaande uit de CEDA, de grote grondbezittende agrariërs, de monarchisten, onafhankelijken en carlisten (monarchisten, die in het voordeel van het aan de macht komen van de erfgenamen van Don Carlos waren). Bij de verkiezingen in 16 februari 1936 behaald het Volksfront een parlementaire overwinning op het nationale front. Voor deze “overwinning” twee opmerkingen: Ten eerste is een parlementaire overwinning van een groep van professionele politici tegen een andere nooit een overwinning van het proletariaat tegen zijn klassenvijanden – waarbij objectief alle professionele politici behoren. Ten tweede is een parlementaire overwinning van de linkervleugel van de bourgeoisie vooral in een zwakke nationale staat in een tijd van grootschalige klassenstrijd slechts een zeer relatief materiële overwinning tegen de juiste concurrentie, zoals het verdere verloop van de gebeurtenissen in Spanje duidelijk behandelde.

Zo weigerde zich de oude regering na de parlementaire overwinning van het Volksfront deze plaats te maken. Toch handelden de proletariërs van Spanje ondanks hun parlementaire illusies zelf. Zoals het oude regime als in oktober 1934 de noodtoestand uitgeroepen, maakte de klassenstrijdige proletariaat een einde aan dit avontuur. In veel steden stormde het de gevangenissen en bevrijde nog voor de dekreet uitvaardiging van het Volksfront regime voor politieke gevangenen. Het proletariaat liet zich niet door de socialisten en stalinisten terughouden. Een sociaal revolutionaire stroming zou aan deze strijd deelnemen – en tegelijkertijd tegen alle illusies binnen het proletariaat in het nieuwe regime strijden.

Het Volksfront was een bijzonder smerige alliantie tussen de republikeinen aan de ene kant en de socialisten en de stalinisten aan de andere kant. Zo was het afgesproken dat de republikeinen alleen en zonder de partijen van de geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging moesten regeren. Daardoor overnamen de laatste de eerste keer geen onmiddellijke verantwoordelijkheid voor het regeringspolitiek en kon als trouwe ondersteuner van het Volksfront het proletariaat beter onder controle houden. De eerste tijden van het Volksfront regime bleef Zamora president terwijl Azana minister-president was. Sinds mei 1936 was Azana president en de links republikeiner Casares Quiroga minister-president.

De reproductieve klassenstrijd van het proletariaat en de kleinboeren weerstand gingen ook tijdens het Volksfront regime verder. De boer(in)en begonnen een grootschalige oorlog tegen de katholieke geestelijkheid, toen het Volksfront regime zich weigerde tegen deze om actie te ondernemen. Kerken werden verbrand en de priesters nadrukkelijk gevraagd om de dorpen te verlaten. Dat was de linkervleugel van de bourgeoisie – waarbij behalve de republikeinen ook de socialisten en stalinisten behoorden – natuurlijk helemaal niet recht. De klassenstrijd tegen de katholieke kerk als een oase van sociale reactie werd zo beslissend doorgeleid, dat er in juni 1936 in de provincie Valencia nauwelijks een functionerende kerk was.

Ook werd het Volksfront regime met landbezettingen en economische stakingen geconfronteerd,  wat hij ook sympathie van een deel van de rechtervleugel van de bourgeoisie inbracht. In 17 april 1936 riep de CNT vanwege de dreiging van de bourgeoisie en een al destijds geplande poging tot staatsgreep van het leger voor 20 april – die nochtans verijdeld werd, zonder dat het Volksfront regime repressief tegen de verantwoordelijken voorging – de algemene staking voor Madrid op. De stalinisten en de socialistische vakbond UGT veroordeelde eerst de klassenstrijd uitgaand van loyaliteit aan het burgerlijke Volksfront regime. Echter toen de algemene staking een machtige kracht nam, moesten ook UGT en stalinisten de staking in 18 april goedkeuren. Na deze staking kwamen ook een aantal andere economische stakingen.

De linkervleugel van de bourgeoisie wilde nu de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging direct in het Volksfront regering inbrengen, om de proletarische klassenstrijd succesvol te kunnen verstikken. Zo verzochte president Azana reeds in mei 1936 rechtssocialist Prieto, om regeringsbaas te worden. Deze wilde al maar de linkervleugel van de Socialistische Partij, die door de oude fraseur Caballero werd geleid, mobiliseerde tegen. De stalinisten daartegen waren echter eveneens voor de regeringsdeelname klaar. Ook de POUM eisten “een authentieke regering van het Volksfront, met de directe (ministeriële) deelname van de socialistische en communistische partijen.” (Geciteerd uit : Felix Morrow, Revolutie en contrarevolutie in Spanje, blz 58/59) De POUM betoonde zich hier nog een keer als links vijgenblad van de bourgeoisie. Ondertussen  ging de rechtervleugel van de socialisten repressief tegen de linker partijvleugel van Caballero voor. De laatste werd door de UGT secretaris herkozen. Zo durfde Prieto uiteindelijk niet tegen de weerstand van de UGT directe politieke karaktermasker van het kapitaal te worden. Overigens waren ook de stalinisten in de UGT actief. Toch ontstond aan de andere kant van de stalinisten en Caballero onder de proletarische druk een vleugel in de socialistische vakbond, die lokaal en op bedrijfsniveau met de CNT samen de staking organiseerde. In de havens, aan boord van schepen en op het spoor was er vaste comités van de UGT en CNT. De spoorwegarbeid(st)ers bereidden in juli een nationale staking voor – maar toen organiseerden de generaals een staatsgreep.

25.000 boerenfamilies bezetten het land van Bajoz, omdat zij de beloften van de regering zat waren. In 13 juni 1936 staakten 30.000 mijnwerkers van Asturië. Ze eisten het ontslag van de minister van Landbouw Funes, een bijzondere lieveling van stalinisten. Toen dit niet ontslagen werd, staakten in 19 juni al 90.000 kompels. Hel lukte het Volksfront regime, dat de mijnbouw proletariaat op 23 juni 1936 opnieuw met de werkzaamheden begonnen. Maar op 6 juli dreigde de regering met een algemene staking, omdat deze de gouverneur van Asturië ontslagen had. De kompels herhaalden hun eisen in 15 juli en hadden hun dreiging van de algemene staking zeker waar gemaakt – als de staatsgreep van de generaals niet zou komen.

In het algemeen confronteerden de heersende klasse en het Volksfront regime door de verergering van de proletarische klassenstrijd, waarin zowel stedelijke als landelijke proletariaat werden bijgetrokken. In elke grote stad waren er in de vijf maanden tussen half februari en half juli 1936 tenminste één lokale algemene staking. De stakingen waren zowel economisch als “politieke” – dat wil zeggen antipolitieke – aard. De algemene staking in 8 juni in Lerida eiste een sociale ondersteuning van de werklozen. De landarbeid(st)ers in de provincie Malaga staakten vijf weken lang. Het ontwikkelde zich een ware golf van massale stakingen. Een miljoen proletariërs legden in 10 juni het werk neer, een half miljoen in 20 juni, een miljoen in 24 juni, over een miljoen tijdens de eerste dagen van juli 1936 – voor de generaals coup.

Het Volksfront regime leidde tegen het groeiende proletarische weerstand van onderen een harde klassenstrijd van boven. Vooral de proletarische basis van de CNT kreeg de afbetaling voor de opportunistische aanpassing van “anarcho”-bureaucratie aan de linkervleugel van de bourgeoisie, die de verkiezingen van februari 1936 voor de boycot niet opgeroepen te hebben. Het reactionaire regime van de linker bourgeoisie bedankte ervoor door repressies tegen de CNT. In Madrid werden in mei 1936 hun hoofdkwartier gesloten en 180 anarchosyndicalisten vastgehouden. De regering dreigde in begin juni met het verbod op anarcho-syndicalisme. De krant van de stalinisten, Mundo Obrero spraak over de CNT al in het begin van de burgeroorlog kwaad, deze werd met fascistische groepen in de alliantie gestaan. In 19 juni 1936 sloot de overheid opnieuw op de CNT hoofdkwartier. Echter solidariseerde zich de UGT met de anarcho-syndicalisten. Zo moest de regering terugroeien. Groeiende delen van de burgerij twijfelde  steeds meer eraan, dat het Volksfront regime met succes kon verstikken de proletarische klassenstrijd – en zo grepen in 17 juli 1936 de generaals de staat.

De Nationale kapitalen hebben in principe twee opties om een einde met de proletarische klassenstrijd te maken. Ofwel legaliseren zij bepaalde vormen van de reproductieve klassenstrijd en integreren de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging in het kapitaal en staat, of verbieden ze de klassenstrijd volledig en stukslaan de hele arbeid(st)ersbeweging ultrarepressief met een ijzeren vuist. De tweede optie was het fascisme, dat ook de parlementaire democratie een einde maakte. In Italië en in Duitsland was het fascisme een kleinburgerlijke lumpenproletarische beweging, die door de bourgeoisie aan de politieke macht gebracht werd, om bloedhond van het kapitaal te worden. Zoals we hierboven verder erover hebben gehad, in 1934 mislukte de CEDA een fascistische massabeweging te bouwen, want het klassenstrijdige proletariaat stopte de poging. De staatsgreep van de generaals was dus niet fascistische in de klassieke zin, hoewel hij ook ideologisch en praktisch naar Italië en Duitsland aanleunde – en de beide fascistische machten op hun beurt de coupplegers daadkrachtig ondersteunden.

De staatsgreep van de generaals begon in 17 juli in het Spaans Marokko en ving in 18 juli 1936 al veel garnizoenen in Spanje om. Het leger was de belangrijkste machtinstrument van de heersende klassen. Toen het merendeel van het leger een coup pleegde, stond het Volksfront regime daar naakt. Het merendeel van de grootgrondbezit(s)ters en de bourgeoisie gaf door de militaire staatsgreep de republikeinse regeringspolitici te begrijpen: “Het lukte uw niet het proletariaat stil te houden. Nu pakt U uw koffer!” En de republikeinse regeringspolitici voegde zich ook naar, voor de generaals te capituleren. De regering loog tegen de kleinburgerlijk-proletarische bevolking over de omvang van de militaire staatsgreep. Ten slotte wilde het Volksfront regime niet dat de kleinburgerlijk-proletarische “volk” zich bemoeide in de familie ruzie van de heersende klasse. De president Azana gaf in 19 juli 1936, de Quiroga regering ontslag en benoemde Martinez Barrios de leidende politicus van de Republikeinse Unie tot de nieuwe premier. Deze nieuwe regering probeerde de bewapening van het proletariaat te verhinderen en met de opstandige generaals te onderhandelen.

Toch bemoeide zich het proletariaat in 19 juli 1936 in de familie ruzie van de kapitalistische sociale reactie – wanneer ook helaas niet zo consequent-bewust, dat het tegen het kapitalisme een revolutionaire klassenoorlog leidde. Maar het vocht tegen het putschende leger. Zo vochten slecht gewapende arbeid(st)ers verbitterd en beslissend tegen de franquistische sociale reactie. Ze gingen succesvol tegen de kazerne voor. Zo verschansten zich in Madrid de putschende soldaten onder de leiding van generaal Joaquin Fanjul in het Montana-kazerne. Vóór de kazerne verzamelden zich steeds vijandiger mensen. Fanjul liet in de avond van 19 juli in de menigte schieten, die vervolgens de volgende dag de kazerne met succes bestormde. Zo verging het met het putschende leger ook in de andere drie kazernes van Madrid.

In Barcelona werd zoals in de Spaanse hoofdstad een algemene staking uitgeroepen. Democratische regionale regering van Catalonië kon zich zowel op loyale politie eenheden, op de Guardia Civil en op de Guardia de Asalto, als op deel van het leger tegen de putschisten baseren. Bovendien richtte het proletariaat barricades op en vormde arbeid(st)erspatrouilles. Het gewapende proletariaat van Barcelona veroverde die door de coupplegers ingenomen telefoonkantoor op de Placa des Catalunya terug. Helaas was er ook in Catalonië geen bewuste sociaal revolutionaire stroming, die het proletariaat niet alleen op de strijd tegen de putschende generaals, maar ook op de verwerping van de Catalaanse autonome regering, de Generalidad, was gericht. Zo bleef ook het klassenstrijdige Catalaanse proletariaat objectief helaas slechts manoeuvremassa van de sociaalreactionaire geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging en van de republikeinse bourgeoisie. De antifascistische ideologie en praktijk van de geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging plakte klassenstrijdige proletariërs stevig aan het democratische kapitalisme. Zo werden de overwinningen van het klassenstrijdige proletariaat een overwinning van de democratische lakeien van de bourgeoisie. De overwinningen tegen de putschisten in Malaga, Valencia en Bilbao in juli 1936 werden ook de overwinning van de republikeinse bourgeoisie. Door de druk van het klassenstrijdige proletariaat werd nochtans Spaanse premier Martinez Barrios, die oorspronkelijk met de putschende generaals  wilde onderhandelen, gedwongen af te treden. Hij werd in 20 juli 1936 door de republikeinse linkse José Geral als de nieuwe minister-president vervangen vertrokken, die tegen de putschende generaals een kapitalistisch-antifascistische oorlog begon te organiseren.

De klassenstrijd tegen de putschende generaals was de ene, het contrarevolutionaire antifascistische politiek van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging de andere. Terwijl het proletariaat op duidelijkheid zocht, om een bewuste klassenstrijd tegen het kapitalisme – tegen de putschende generaals en tegen de democratische staat – te leiden, maakten de contrarevolutionaire “socialistische”, “communistische”, “marxistische” en “anarcho”-syndicalistische partij- en vakbond bazen gebruik van de putsch om zich met de democratische personeel van de bourgeoisie te verbinden en het politieke en economisch karaktermasker van het kapitaal te worden. De gewapende formaties, die tegen de putschende generaals vochten, waren niet embryonale vormen van een dictatuur van het proletariaat als de Rode Garde in Rusland of Ruhr Rode Leger in Duitsland tijdens de Europese naoorlogse revolutionaire crisis. De verschillende antifascistische milities, die ontstonden, stonden vanaf het begin onder de directe controle van de verschillende partijen en de vakbonden van de contrarevolutionaire geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging. Zo vormde zich tijdens de julidagen in Madrid de Quinto Regimento, de “Vijfde Regiment”, als de formatie van de stalinisten, in Catalonië en Aragon streden de CNT militie Columna Durruti en van de Verenigde Socialistische Partij van Catalonië (PSUC) – een in deze regio fusie van socialisten en stalinisten Columna del Barrio. Daarnaast ageerde in Catalonië nog militie Carlos Marx van UGT en Lenin Brigade van POUM. Hierdoor ontstond vanaf het begin bureaucratische versnippering. Nog erger: Omdat de milities door partijen en vakbonden ondersteund werden, die de antifascistische collaboratie met het reactionaire Volksfront regime verplicht waren, waren deze milities indirect staatstragend en dus objectief sociaalreactionair. Als er op dat moment in Spanje de fabriek comités ondergeschikte arbeid(st)ersmilities zouden zijn, die tegen het kapitalisme klassenoorlog zouden leiden, konden ze van meet af een gecentraliseerde vorm aannemen. Vanzelfsprekend moest deze centralisatie geen belemmering voor zelforganisatie van het militant strijdende proletariaat vormen. Hoewel er centraliseringtendensen in de antifascistische milities zijn, maar waren deze vanzelfsprekend de ondersteuning van de staat. Zo werd in 21 juli 1936 onder dominantie van de CNT, het Centraal Comité van antifascistische milities van Catalonië, waar de hoge pieten van de CNT, FAI, UGT, PSUC en POUM samen met de bazen van de republikeinse partijen zaten, als een klassieke uitdrukking van de antifascistische klassencollaboratie met de democratische bourgeoisie.

Tijdens de julidagen werd de CNT ook als de UGT in Catalonië een sociaaleconomische karaktermasker van het kapitaal. Aangezien veel kapitalisten Catalonië naar het kamp van de putschende generaals waren gevlucht, kon de kapitalistische productie alleen in gecollectiviseerde vorm gehandhaafd worden. Doordat de vakbonden CNT en UGT kapitalistische uitbuiting van de loonarbeid organiseerden, beoefenden ze een soort van vakbondkapitalisme onder de democratische staat. Deze privaatkapitalisten, die in de democratische antifascistische kamp bleven, werden natuurlijk net zo weinig onteigend als de buitenlandse privékapitaal. Daar werd met behulp van fabriek comités, die door de staatsvakbonden CNT en UGT werden gecontroleerd, introduceerde een beetje “arbeid(st)erscontrole” – die de werkelijke kapitalistische controle van het proletariaat ideologisch ommantelde. De volledige controle van de Catalaanse economie organiseerde een “economische raad”, die door vijf CNT hoge pieten gedomineerd was, maar ook per één vertegenwoordiger van de POUM, de UGT en de Catalaanse regering. In Catalonië werd en mengsel van privé-, staats- en vakbondkapitalisme beoefend.

Naast het vakbondkapitalisme in de grote industrie beoefend de CNT in Catalonië en Aragon in de landbouw en in de steden nog een kleinburgerlijk-collectieve warenproductie, die tevens de toenemende uitbuiting van het proletariaat voor de reactionair-antifascistische oorlog van het Volksfront regime diende. Dit collectivisaties konden ook in het kader van de democratische staat en de kapitalistische warenproductie niets anders dan kleinburgerlijk-collectieve vormen van deze kapitalistische economie zijn. Echter berustten deze collectieven op de onteigening van de grootgrondbezit(s)ters, belichaamden in zekere zin een kleinburgerlijke radicalisme, dat met de overblijfselen van het feodalisme opruimde. Maar de kleinburgerlijke radicalisme schommelde doorgaans hulpeloos tussen het klassenstrijdige proletariaat en de kapitalistische sociale reactie. Zo was het ook in Spanje. Binnen deze kleinburgerlijke agrarische collectieven werd inderdaad in typisch kleinburgerlijk-anarchistische manier met de categorieën goederen, geld en loonarbeid geëxperimenteerd – maar aan het einde toch gereproduceerd. In de landbouw waren deze collectieven de omschakeling van het antifeodale tendenties van het kleinburgerlijke radicalisme in de burgerlijke contrarevolutie, omdat de CNT door deze de toenemende uitbuiting van de plattelandsbevolking voor de kapitalistisch-antifascistische oorlog organiseerde. De kleinburgerlijke collectieven in steden waren ook duidelijk typische genootschappen als een deel van de warenproductie.

Naast de “collectivisatie” in het kader van de staat en de kapitalistische warenproductie waren de arbeid(st)erspatrouilles een typisch product van de reproductief-defensieve klassenstrijd van het proletariaat. Zij namen de antifascistische ideologie en praktijk ordefuncties in een democratische staat, maar waren niet de organen van een revolutionaire dictatuur van het proletariaat. Zelfs als het gewapende proletariaat deze wapens niet bewust revolutionair tegen het Volksfront regime richtte, kon en wilde dit regime maar de arbeid(st)erspatrouilles niet tolereren. Deze resolutie zullen wij als onderdeel van de antifascistische contrarevolutie hieronder beschreven. Terwijl de effectiviteit van antifascistische ideologie binnen het proletariaat in juli 1936 de grootste obstakel voor de revolutionaire omverwerping van het Volksfront regime was, leidde het staatsantifascisme als beoefende contrarevolutie tot de ontwapening van het proletariaat.

De organen van de proletarische zelforganisatie die door middel van de klassenstrijd in 19 juli 1936 zijn ontstaan, waren zo volledig door de antifascistische ideologie en de praktijk van de klassencollaboratie met de democratische bourgeoisie besmet. Dat belemmerde al de strijd tegen franquisme en gaf dit een toenemende reactionaire karakter, maar voor de sociale revolutie waren deze organen totaal ongeschikt. Bovendien stonden zij onder vrij sterke controle van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging. Zeker ook tijdens de Europese naoorlogse revolutionaire crisis stonden de arbeidersraden in Duitsland en Rusland zwaar onder beïnvloed door de sociaaldemocratische of mensjewieken, “sociaal revolutionairen” en bolsjewistische professionele politici, zodat dit bureaucratisch gedeformeerde organen van de proletarische zelforganisatie door de privékapitalistische (Duitsland) en staatskapitalistische contrarevolutie (Sovjet-Rusland) stukgeslagen konden werden. Toch was de kwaliteit van de proletarische zelforganisatie in de klassenstrijd zowel tijdens de Russische Revolutie (1917-1921) als in de naoorlogse revolutionaire crisis in Duitsland (1918-1923) veel hoger dan in juli 1936 in Spanje. Tijdens de staatskapitalistische staatsgreep in oktober 1917 waren de bolsjewieken minstens in staat om de privékapitalistische democratische voorlopige regering omver te werpen, terwijl de zogenaamde “revolutie” in Spanje in 1936 leidde tot het feit, dat zich partijmarxisme en anarchosyndicalisme dieper in de Volksfront regime integreerden. De proletarische klassenstrijd van 19 juli 1936 nam dan ook geen revolutionair karakter aan, zoals de trotskisten en anarchisten beweren, maar een defensiereproductieve klassenstrijd tegen de militaire staatsgreep sloeg in de antifascistische contrarevolutie van geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging over. En het antifascisme vocht heel slecht tegen de fascistisch-franquistische sociale reactie – maar het was heel goed in, dat het proletariaat van de echte sociale revolutie op te houden. Sociaal revolutionairen kunnen vooral over de misvorming van de hedendaagse anarcho-syndicalistische ideologieproducenten, die de “moeilijke situatie” betonen, om de antifascistische contrarevolutie van de CNT te rechtvaardigen, slechts grimmig lachen.

Een bewuste sociaal revolutionaire stroming zou aan de reproductief-defensieve klassenstrijd van het proletariaat tegen de militaire staatsgreep van 19 juli 1936 deelnemen – en tegelijkertijd de schandelijke antifascistische ideologie en praktijk van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging moeten bestrijden. Zij zou de indirect staatstragende anti-fascistische partij- en vakbondsmilities door vordering naar echte organen van de proletarische dictatuur, naar arbeid(st)ersmilities onder controle van organen van zelfgeorganiseerde klassenstrijd zoals onafhankelijke stakingcomités, in de fabriekcomités en arbeid(st)ersraden tegenover elkaar stellen. Deze arbeidersmilities zouden de revolutionaire omverwerping van het Volksfront regime moeten organiseren – en dan een revolutionaire klassenoorlog tegen de putschende generaals moeten voeren. Nadat de belangrijkste machtsstructuur van de overheid – het leger – tegen het Volksfront opstond had, zou hun revolutionaire omverwerping in de zomer van 1936 relatief eenvoudig geweest zijn. De zegevierende strijd tegen Franco zou veel moeilijker zijn geweest. De revolutionaire zelfafschaffing van het proletariaat mondt in een klassen en staatloze maatschappij uit. Want zonder proletariaat is er geen kapitalisme en geen staat meer. Daarom impliceert ons concept van de revolutionaire klassenoorlog tegen de fascistisch-franquistische en democratisch-antifascistische contrarevolutie altijd de eerste kiemen van een klassen- en staatloze maatschappij. Deze echte klassen- en staatloze maatschappij zou een sociaal revolutionaire stroming de reactionaire “collectivisatie” en leugenachtige “arbeid(st)erscontrole” in het kader van de kapitalistische warenproductie en de democratische staat van de CNT en UGT tegenover elkaar moeten stellen. Maar deze kiemen van een klassen- en staatloze maatschappij een revolutionaire klassenoorlog tegen de Spaanse kapitalisme zouden onmiddellijk door de nationale en internationale contrarevolutie – met inbegrip van de Sovjet staatskapitalisme – bedreigd worden. Ofwel zou het internationale proletariaat hun Spaanse klassen broers en zuster actiefsolidair helpen, of de wereldwijde contrarevolutie zou de sociale revolutie in Spanje verstikken.

We horen het antifascistische sociaal reactionaire tuig al schreeuwen: “Jullie ultralinkse avonturiers! Door de poging tot staatsgreep tegen de democratisch verkozen regering zou er nog meer burgerlijke krachten in Franco’s kamp gaan. “Juist! Een sociale revolutie zou nog meer bourgeois krachten aan de kant van Franco bijtrekken. Maar omdat de sociale revolutie dankzij de antifascistische contrarevolutie uitbleef, kon de laatste – vooral de stalinistische voorhoede – een mengsel van reactionaire tuig voor het Volksfront inbinden, die anders direct naar de kant van Franco zouden overtreden zijn. Dat burgerlijk-lumpenproletarische gespuis,  waardoor de antifascistische stalinisme tegen het klassenstrijdige proletariaat en de linkervleugel van het Volksfront voorging, leek heel erg op de sociale basis van het fascisme!

Maar laten we naar het noodzakelijke gedrag van een denkbeeldige bewuste sociale revolutionaire stroming in Spanje terugkeren. Hierboven schreven we al dat deze aan het begin zeer zwak geweest kon zijn, in werkelijkheid was er ze helemaal niet. Om enigszins realistisch te blijven moeten wij ervan uitgaan, dat zij niet succesvol in de zomer van 1936 tegen de contrarevolutionaire geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging gevochten had. En hoe nu verder? Wij zijn van mening dat de proletarische revolutionairen zich op geen enkele manier opportunistisch zouden gedragen wanneer ze binnen de CNT en de POUM milities in een interactieve communicatie met hun collega’s en klassen broers en zusters ervoor intreden zouden, eerst het Volksfront regime weg te nemen en dan een revolutionaire klassenoorlog tegen de putschende militairs te voeren. Zij zouden natuurlijk wel bewust moeten maken dat de partij- en vakbond milities niet de juiste wapens zijn. Sociaal revolutionairen zouden binnen de radicale milities van geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging en vooral in bedrijven hun strijd tegen de antifascistische contrarevolutie voortzetten. Natuurlijk zou voor een echte sociaal revolutionaire stroming de belangrijkste actieplaats in de bedrijven geweest zijn, maar zou een revolutionaire ondermijning van de CNT en de POUM milities, waar subjectief revolutionaire arbeid(st)ers door de contrarevolutionaire partij- en vakbond hoge pieten voor een kapitalistisch-antifascistische oorlog werden opgeofferd, niet opportunistische geweest zijn. Natuurlijk revolutionairen zouden binnen de CNT en de POUM milities ook duidelijk positie tegen deze twee contrarevolutionaire krachten moeten laten zien. Waarschijnlijk zouden zij ooit door de partij- en vakbond bureaucratieën weggeduwd worden, maar ze zouden een belangrijke bijdrage aan de radicalisering van de arbeid(st)ers leveren.

In ieder geval zouden bewuste sociaal revolutionairen binnen de CNT en de POUM milities objectief voor een binnenskapitalistische bloedbad verbrand worden. Daarom zou ook een bewuste beslissing van sociaal revolutionaire stroming niet tot de CNT en de POUM milities toe te treden, maar zich volledig op de proletarische klassenstrijd in de fabrieken te richten, geenszins “sektarische” geweest zijn. Want alleen het revolutionaire forceren van de klassenstrijd van het proletariaat tegen het kapitalisme en al zijn karaktermaskers – met inbegrip van de CNT – zou de overwinning van Franco kunnen voorkomen. De antifascistische strijd van de milities gebeurde duidelijk niet op proletarische klassen terrein, maar was duidelijk sociaalreactionair en ineffectief – en daardoor begunstigde zij objectief de putschende generaals. Wij denken, dat de revolutionaire infiltratie van de burgerlijk-reactionaire militaire formaties – en ze waren objectief gezien ook de CNT- en de POUM-milities – alleen zin heeft, als de sociaal revolutionaire stroming relatief groot en geconsolideerd is. Is zij dat niet, is eerder ervan af te raden.

Maar omdat een bewuste sociaal revolutionaire stroming toenmalige Spanje ontbrak, nam de sociaal reactionaire geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging – met inbegrip van de CNT en de POUM – de militaire staatsgreep, om zich diep in het Volksfront regime te integreren. De gehele geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging leverde in een coöperatief-concurrentmatige arbeidsverdeling – van de stalinistische avant-garde tot de “anarcho”-syndikalistische staart – veel werk bij de vernietiging van de zwakke organen van de proletarische zelforganisatie, die de tijdens de reproductief-defensieve klassenstrijd in 19 juli 1936 tegen militaire staatsgreep ontstaan zijn. Omdat we de sociaal reactionaire prestaties van antifascisme tegen de proletarische klassenstrijd verder in onze teksten in detail zullen beschreven, willen we ons tot de zegevierende franquistische sociale reactie wenden.

De republikeinen en de stalinisten fungeerden als schaduw van de bourgeoisie – de merendeel van deze klasse liep openlijk naar de opstandige generaals over. Natuurlijk wilden de republikeinen en de stalinisten voorgoed niet op de antifascistische militie rekenen. Ze creëerden in oktober 1936 weer een regulier burgerlijk leger met een officier korps, dienstplicht en alles erop en eraan. Daarnaast werden de antifascistische milities een directe staatscontrole  onderworpen. Voor de vorming van een nieuw regulier leger – nadat de “oude” putsch had – en een sterkere staatscontrole van de antifascistische milities integreerde de republikeins-stalinistische blok de linkse Caballero vleugel van de socialistische vleugel nog sterker in het Volksfront regime. Caballero werd in september 1936 de nieuwe Spaanse premier en ook de stalinisten traden tot deze regering toe. Tevens traden in september 1936 POUM en CNT tot de Catalaanse autonomie regering toe. De “anarcho”-syndikalisten traden in november 1936 ook tot de centrale regering toe, die op grond van de militaire belegering van Madrid door de putschisten naar Valencia verlegt werd. De linkse socialisten, de CNT en de POUM maakten de nieuwe formatie van een regulier burgerlijk leger alleen zwak en retorisch “verzet”. Ze traden retorisch voor een proletarisch gecontroleerd leger tot een burgerlijke staat toe. Maar dat waren slechts ideologische achterhoedegevecht van de linkervleugel van de antifascistische contrarevolutie, nadat zij samen met de rechtervleugel een revolutionaire klassenstrijd van het proletariaat tegen de democratische en franquistische bourgeoisie succesvol verhinderd hadden. Een sociaal revolutionaire stroming zou de groeiende uitbuiting van het proletariaat in het belang van de kapitalistisch-antifascistische oorlog scherp aan de kaak moeten stellen en zich volledig op de bestaande klassenstrijd tegen het kapitalisme, waaronder tegen de meest leugenachtige CNT-vakbondkapitalisme – baseren moeten.

Advertisements
Comments
  1. […] De generaals staatsgreep, klassenoorlog van het proletariaat en de contrarevolutie van het Volk… […]

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s