De politieke- en klassenstrijd in Spanje 1931-1936

Posted: July 28, 2016 in FAI, katholieke kerk, poum, Spanje, staatskapitalisme, UGT, vakbond
Tags: , , , ,

We gaan door met onze serie artikelen onder de titel “De Spaanse Burgeroorlog als een binnenskapitalistischeconflict” en vandaag willen we de politieke strijd van boven- en de klassenstrijd van onder in 1931-1936 analyseren. In dit artikel hebben we ons gericht op de politieke partijen en vakbonden van deze periode en de subjectieve voorwaarden die nodig zijn voor de overwinning van de sociale revolutie. We gaven ook ons begrip van de gezamenlijke sociale actie van het proletariaat, vertelden over de militante strijd van het Spaanse proletariaat tegen de klerikale-fascisme en over de proletarische opstand in oktober 1934 in Asturië.

Na ons kort inzicht in de geschiedenis van de Spaanse kapitalisme, willen we nu de klassenstrijd tussen het uitroepen van de Republiek en de staatsgreep van de generaals in meer detail beschrijven. We zullen reeds in deze tekst op de partijen en de vakbonden van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging een radicale kritiek onderwerpen. Daarnaast proberen we ook te beschrijven hoe vanuit ons huidige gezichtspunt echt sociaalrevolutionaire groepen en stromingen zich zouden moeten gedragen. Deze uitbeelding toont ons als proletarische revolutionairen in tegenstelling tot de ordelijke betaalde professionele wetenschappers. In ieder geval deze benadering is ook niet onproblematisch. Het is niet omdat onze huidige positie het toen überhaupt niet zou hebben gegeven. Echter, de fundament van onze huidige revolutionaire standpunten was er toen al, belichaamde in het partij- en vakbondvijandelijke radencommunisme en in de scherpe democratie- en antifascisme-kritiek van de partijachtige Italiaanse linkscommunisme. Maar in Spanje waren er deze stromingen toen niet. De afwezigheid van linker- of radencommunistische stromingen is nogal een uitdrukking van de klassenstrijd en klassenbewustzijn van het toenmalige proletariaat in Spanje geweest. Het is niet onproblematisch, wanneer we het naar onze huidige mening noodzakelijke gedrag van toen niet in Spanje bestaande bewust revolutionaire stromingen proberen te beschrijven. Maar we doen het toch gewoon, omdat we niet kleinburgerlijke kamergeleerden, maar proletarische revolutionairen zijn. Zo was er in 1931, toen het Spaanse kapitalisme zijn politieke heerschapvorm van monarchie naar een democratische republiek omvormde, geen bewuste sociaalrevolutionaire stroming, die met een radicale en materialistische politiek- en democratie-kritiek de illusies van de arbeid(st)ersklasse en met een duidelijke oriëntatie tegengegaan op de zelfgeorganiseerde klassenstrijd en de militante vorm – de proletarische dictatuur – die duidelijke signalen zou hebben gegeven. Er was slechts één geïnstitutionaliseerd arbeid(st)ersbeweging met hun partijmarxistische en anarcho-syndicalistische organisaties en ideologieën, die tussen reactionaire sociaalreformisme en organisatie-egoïstische sektarisme hulpeloze heen en weer slingerde. Tijdens de parlementaire-sociaalreformistische Socialistische Partij in 1931 samen met republikeinse partijen een coalitieregering vormden, d.w.z. openlijk contrarevolutionair ageerde, bevond zich de P“C”E als de geheel Moskou horige ‘Communistische’ Internationaal in de zogenaamde “Derde Periode”. Gedurende deze tijd verhulde het officiële partij-“communisme” zijn fundamenteel sociaalreactionaire staatskapitalistische karakter met een verbaalradicalisme, die zich mentaal op een zeer laag niveau bevond. De stalinisten waren in structureel niet in staat, om de sociaaldemocratie materialistisch-revolutionair te bekritiseren, maar ze beschimpten dit totaal zwakzinnig als “sociaalfascistisch”. Ze weigerden zelfs organisatie-egoïstisch elke samenwerking met de andere organisaties van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging. Daardoor namen ze aan de politieke verdeeldheid van het proletariaat deel.

Om niet verkeerd begrepen te worden: We sociaalrevolutionairen staan niet voor een verenigd front van de partijen en vakbonden van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging in, maar voor de sociale actie-eenheid van het klassenstrijdige proletariaat. Sociaalrevolutionairen moeten aan alle reproductieve klassenstrijd van het proletariaat deelnemen, maar zij mogen geen officiële allianties met de partijen en de vakbonden van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging ingaan. Zij gebruiken de radicalisering van hun collega’s en klassenbroers en -zussen door de klassenstrijd, om door een interactieve communicatie deze radicalisering van het proletariaat te versterken. Sociaalrevolutionairen nemen van de reproductieve klassenstrijd deel om deze revolutionaire tendensen te versterken, maar niet om zich aan de sociaalreformistische bewustzijn van het proletariaat en aan de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging aan te passen. Ze leiden een compromisloze strijd tegen alle partijen en vakbonden en voor onafhankelijke organen van zelfgeorganiseerde klassenstrijd – onafhankelijke stakingscomités, arbeid(st)ersraden, plenums, arbeiders milities …

De sociale actie-eenheid van het klassenstrijdige proletariaat heeft dus helemaal niets met het “communistische” eenheidsfront politiek met het sociaaldemocratische partijapparaat te maken, waartegen in de eerste jaren van de ‘Communistische’ International links- en radencommunisten streden. Maar natuurlijk kon de bolsjewistische bureaucratie onder Lenin/Trotski tegen de revolutionairen zegevieren. Toch de bolsjewistische contrarevolutie tegen de arbeid(st)ersraden als een uitdrukking van zelfgeorganiseerde klassenstrijd leidde uiteindelijk tot een binnensbureaucratische reactie, waarin Stalin alle andere oud-bolsjewieken uit de macht verdrong – onder andere ook Trotski. Daardoor werd de laatste, een voormalige hoge staatskapitalistische bureaucraat, weer een kleinburgerlijke radicaal, die hulpeloos tussen de kapitalistische sociaalreactie en de proletarische klassenstrijd heen en weer slingerde. Dit geldt voor de hele politieke beweging, die hij leidde en die naar hem genoemd werd, het trotskisme. Ook in Spanje bestond in de vroege jaren 1930 een kleine trotskistische groep, de zogenaamde linke “communisten”, die door Andres Nin geleid werd. Trotski stond in de jaren 1930 voor een politiek verenigd front van de stalinisten, trotskisten, socialisten en anarcho-syndicalisten in. Vooral met de stalinisten likte zich Trotski in deze periode sterk in. Hij vocht in de vroege jaren 1930 in Spanje voor een politieke vereniging van de stalinisten en trotskisten in een “communistische” partij. Bovendien stond de voormalige bolsjewistische leider voor een strengere democratische ideologie-productie in. De bestaande democratie moest weer ‘gedemocratiseerd’ worden. Het trotskisme was toen ook in de praktijk een parlementaire sociaalreformistische stroming, die alleen de illusies van het proletariaat in de echte bestaande democratie als dictatuur van het kapitaal kon reproduceren. “Langdurig” stond het trotskisme ook in Spanje voor een dictatuur van het proletariaat in, maar hij begreep en begrijpt daaronder – net als bijna alle marxistische stromingen – een “arbeid(st)ersstaat”, d.w.z. een staatskapitalistische dictatuur tegen het proletariaat.

We postmarxistische en postanarchistische communisten begrijpen onder de dictatuur van het proletariaat militante strijd tegen het kapitaal en de staat, diens culminatiepunt in de vernietiging van de staat is – daarna komt de klassenloze, staatloze maatschappij, die natuurlijk niet permanent in een land of een continent beperkt mag blijven. De wereldrevolutie kan alleen een keten van vernietigingen van de kapitalistische nationaal staten zijn. Met de staten moet ook de warenproductie als bron van kapitaal en loonarbeid afgeschaft worden. Zowel de meeste marxistische als anarchistische stromingen hadden geen duidelijk voorstellingen van de sociale revolutie, hoe in onze verdere beschrijving nog duidelijk wordt. Vervolgens kwam de radencommunisme met een duidelijke sociaalrevolutionaire stroming, die echter in Spanje niet bestond. Daarmee ontbrak de belangrijkste subjectieve voorwaarde van een zegevierende sociale revolutie: een doelgerichte bewuste sociaalrevolutionaire stroming. Dit is als radencommunisme tijdens de revolutionaire naoorlogse crisis in Duitsland en Nederland ontstaan. Dat in Spanje in de jaren 1930 een zulke bewuste sociaalrevolutionaire stroming niet ontstond, laat onder andere zien, dat de klassenstrijd in dit land reproductief bleef. Er was ook geen sociale antikapitalistische revolutie, hoewel sommige marxisten en anarchisten dit beweren.

Naast de stalinisten en trotskisten waren er in Spanje, nog de rechts-“communistische” organisatie Catalaans-Balearen “communistische” federatie die later haar naam in Arbeid(st)er- en Boerenblok veranderde. Deze organisatie beoefende een nog ondieper kleinburgerlijk-democratische ideologie-productie als het trotskisme. Zo eisten de recht-“communisten”: “De republiek moet niet alleen voor de bourgeoisie, maar ook voor de arbeid(st)ers  een overwinning zijn.” (Geciteerd door Leon Trotski, Het platform van de Catalaanse Federatie). De democratische republiek kon in Spanje niets anders zijn dan een uitdrukking van de succesvolle klassenstrijd van boven. De overwinning van het proletariaat kon en kan alleen een overwinning tegen de democratie als alle andere burgerlijke staatsvormen zijn – en na deze overwinning is er noch de staat, noch het proletariaat. Het laatste moet de warenproductie afschaffen en de staat vernietigen, als het zich sociaal wil bevrijden.

Ook het Spaanse anarchosyndicalisme was geen bewuste sociaalrevolutionaire stroming, wat het als vakbondsideologie ook objectief niet kon zijn. Het anarchosyndicalisme geloofde een vakbondsorganisatie mentaal te beheersen en te controleren. In werkelijkheid werd het door de algemene ontwikkelingstendenties van de vakbondsorganisatie beheerst en gecontroleerd. Vakbonden zijn bureaucratisch en ideologisch vervreemde organen van de reproductieve klassenstrijd. Ten eerste wilden de anarcho-syndicalisten een revolutionaire massavakbond in een niet-revolutionaire situatie op te bouwen, die zich grotendeels afzijdig van de reproductieve klassenstrijd hield. Maar dit is onmogelijk. Zolang de meerderheid van het proletariaat een reformistische bewustzijn heeft, kan de klassenstrijd niet haar reproductieve grenzen breken en zich in de revolutionaire zelfafschaffing van het proletariaat omvormen. De CNT werd door de druk van de proletarische basis gedwongen, om de reproductieve klassenstrijd te organiseren. Zo werd de CNT tegen de wil van de anarcho-syndicalistische ideologie door objectieve wetmatigheden een organisatie van de reproductieve klassenstrijd en als vakbondsorganisatie reproduceerde zij de klassensplitsing in een burgerlijk-bureaucratische leiderschap en een proletarische basis. In de loop van de verdere gebeurtenissen integreerde zich deze leiderschap in het Spaanse nationaal kapitaal en werd openlijk contrarevolutionair. De ontwikkeling van CNT verliep in tegenstelling tot de anarcho-syndicalistische principes – maar volledig in lijn met de algemene ontwikkelingstendenties van de vakbeweging. Dat, wat in de anarcho-syndicalistische ideologie-productie tendentieel progressief was – de antipolitiek-parlementaire en antistaats vijandelijke tendenties – moest uiteindelijk bij een radicale toesplitsing van de klassenstrijd door de algemeen sociaalreactionaire tendensen van de vakbeweging ingeslikt en uitgespuugd worden. Dit is de dialectiek van de ontwikkeling van CNT. Reeds voor de Spaanse Burgeroorlog slingerde de CNT tussen sektarisme en opportunisme, hoe we hieronder in dit artikel over gaan hebben.

Als er in Spanje een georganiseerde en het doelbewuste radencommunistische stroming was geweest, zou zij in het begin zeer kleine kunnen zijn. Met een juiste oriëntatie op de klassenstrijd, zou zij met deze kunnen groeien – om dan op de juiste momenten en situaties een impuls aan de radicalisering van het proletariaat te kunnen geven. In een periode van verscherpte klassenstrijd kunnen ook kleine revolutionaire stromingen extreem snel groeien. Het ophemelen van spontaniteit en klasseninstinct – een specialiteit van radencommunisme na de Tweede Wereldoorlog – was voor de toenmalige radencommunisme vreemd. Er werd zowel het belang van instinct en spontaniteit voor de ontwikkeling van de klassenstrijd als ook het belang van een duidelijke sociaalrevolutionaire theorie voor de revolutionaire praktijk erkend. Het grote belang van instinct en spontaniteit van de klassenstrijd komt er af, dat proletariërs niet de productieverhoudingen mentaal en praktisch beheersen, maar het ageren van het proletariaat door de behoeften van de blinde kapitaalvermeerdering – die ook de bourgeoisie als een karaktermasker van deze kapitaalvermeerdering beheerst – bepaald wordt. Spontaniteit en instinct hebben derhalve een zo groot belang, omdat het bewuste menselijk ageren onder de totalitaire dictatuur van de overwegend blinde marktbewegingen – die de hele burgerlijke maatschappij beheersen, maar door de laatste niet beheerst kunnen worden – slechts een relatief kleine rol kan spelen. Zo bepaalden de noodzakelijkheid van de kapitaalvermeerdering ook in Spanje de klassenstrijd. Ten gevolge van de wereldwijde economische crisis kon een relatief zwakke nationaal kapitaal alleen in de geforceerde uitbuiting van het proletariaat de uitweg zien. Bekend door hun eigen materiële behoeftes moest en wilde het proletariaat weerstand verrichten, wat op zijn beurt in de Spaanse bourgeoisie de behoeftes wekte, de proletarische klassenstrijd met een ijzeren vuist verpletteren. Deze verscherpte klassenstrijd van boven zou het proletariaat alleen met een doelbewuste revolutionaire tegenoffensief kunnen tegengaan. Deze revolutionaire doelbewustzijn is zonder de georganiseerde bewuste sociaalrevolutionaire kracht, die met de verscherping van de klassenstrijd bloeit en gedijt, onmogelijk …

Dat bewees ook het verloop van de klassenstrijd in Spanje overduidelijk. De republikeins-socialistische regering (1931-1933) was op grond van het feit, dat zij een machtsapparaat van de bourgeoisie was, en de bourgeoisie met de grootgrondbezitt(st)ers sociaal vast versmolten was, niet in staat en willig compensatieloze onteigening van de grootgrondbezitt(st)ers. De “landhervorming”, die zij de geruststelling van de kleine boer(in)en en het landproletariaat presenteerde, was geen suikerbrood maar slechts een paar kruimels suikervervangers. Zo kon het landloze landproletariaat braakliggende akkers bewerken en moest ervoor indirecte pachtkosten betalen. Na door de republikeins-socialistische regenring in 1932 afgekondigde wet kwamen gezamenlijk slechts 43.000 landloze boer(in)en tot deze overeenkomsten. Tot december 1934 waren op 529 landgoederen met een totale oppervlakte van 116 857 hectare slechts 12.260 boer(in)en gehuisvest. Tot de paar hervorming behoorden ook de loonsverhogingen voor het landproletariaat. De normale dagloon van landarbeid(st)ers werd van twee à drie peseta’s tot vijf en tijdens de oogst tot elf peseta’s verhoogd.

Het is duidelijk dat bij het weinige suikerbrood, dat de republikeins-socialistische regering verdeelde, ze de zweep tegen de kleinboer(in)en en de proletarische weerstand grijpen moesten. De kleinboer(in)en en landproletariërs van Casas Vijas wachtten in januari 1933 niet langer geduldig op de landverdeling van boven, maar zij eigenden de grond zelf toe en begonnen hem te cultiveren. Vervolgens viel de minister van Binnenlandse Zaken Quiroga smerissen van de Guardia Civil aan “gevangenen te maken”. Het leidde ook een moeilijke oorlog tegen de boer(in)en en landproletariërs van het kleine dorp Casas Vijas. De smerissen jachten de boer(in)en als dieren en vermoorden twintig mensen, meer raakten gewond.

Ook werd de pers die niet aan de regering betrokkene geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging door een strenge censuur gekneveld. 9000 klassenstrijdige arbeid(st)ers werden door de republikeins-socialistische regering naar partij- “communistische” schattingen van juni 1933 gevangen genomen. Dit regime verbood ook wilde stakingen, waardoor zij de legale bodem onder de voeten van CNT wegtrokken. De socialistische arbeidsminister Caballero – deze figuur zullen wij hieronder nog als hoofd van de regering van de anti-fascistische Volksfront regime opnieuw tegenkomen – kondigde het einde van 1931 een verplichte arbitrage van stakingen. Veel werkneerleggingen van het klassenstrijdige proletariaat werden door de staat bloedig onderdrukt.

Terwijl de Republikeins-socialistische regering brutaal op het klassenstrijdige proletariaat insloeg, begunstigde zij de monarchistisch-klerikale-fascistische sociaalreactie, die erop brandde met het proletariaat, door de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging en de republiek op te ruimen. Zo richtte José Maria Gil Robles aan het begin van de jaren 1930 de Confederación Española de Derechos autónomos (CEDA) als een reservoir van alle reactionaire vijanden van de Republiek op. Tot deze reactionaire krachten behoorde ook de Junta de Ofensiva Nacional Syndicalista (JONS). Deze partij werd naar het voorbeeld van de Italiaanse fascisten van José Antonio Primo de Rivera, de zoon van de voormalige dictator, opgericht. Het klassenstrijdige proletariaat moest zowel tegen de anti-republikeinse reactie als de republikeinse sociaalreactie vechten. Daarvoor had het een doelbewuste sociaalrevolutionaire oriëntatie nodig, die nochtans noch het partijmarxisme, noch het anarchosyndicalisme kon geven.

Vooralsnog weigerde zich de CNT in de parlementsverkiezingen van november 1933 – die noodzakelijk geworden zijn, nadat de president en grootgrondbezitt(st)er Niceto Alcalá Zamora de schrijvers en de minister-president Manuel Azaña ontsloeg en de constituerende parlement (cortes) ontbond had – de republikeins-socialistische fractie van het Spaanse nationale hoofdstad te ondersteunen. Zij(CNT) riep tot de verkiezingsboycot op. Dit was uit de sociaalrevolutionair perspectief duidelijk niet te kritiseren. Want, zoals we hierboven beschreven hebben, heeft de republikeins-socialistische regering duidelijk als keiharde klassenvijand van het proletariaat bewezen. Wie altijd alleen zogenaamd “minste kwaad” ondersteunt, ontwapent het proletariaat geestelijk en praktisch tegen de kapitalistische fundamentele kwaad – en tegelijkertijd ook tegen de meest reactionaire fracties van het kapitaal. Een succesvolle strijd tegen een groter kwaad kan uitgevoerd worden alleen op basis van een consequente klassenstrijd, maar niet ter ondersteuning van de ene of de andere “gematigde” fractie van het kapitaal. Klasse tegen klasse! Deze duidelijke revolutionaire positie moet een bewuste sociale revolutionaire stroming niettemin met een evenzo duidelijke oriëntatie op de sociale actie-eenheid van het klassenstrijdige proletariaat consolideren. Een sociaal revolutionaire stroming mag nooit de partij- en vakbondbazen van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging ondersteunen – niettemin moeten sociaalrevolutionaire arbeid(st)ers met de miljoenen proletariërs samen strijden, die nog parlementair-sociaalreformistische illusies hebben. Zo zouden proletarische revolutionairen aan de socialistische beïnvloede arbeid(st)ers moeten zeggen: “Wij ondersteunen bij de verkiezingen de socialistische partijbazen niet, omdat deze klassenvijanden van het proletariaat zijn, maar wij zullen met jullie zonder organisatorische egoïsme tegen iedere regering en het kapitaal strijden.”

Daar ziet hem kneep. De CNT was geen echte revolutionaire organisatie, maar slechts een vakbond, die tussen opportunisme en sektarisme schommelde. Zo bracht haar oproep tot verkiezingsboycot de republikeins-socialistische regering ten val – wat allesbehalve betreurenswaardig was – zonder nochtans een duidelijke oriëntatie voor de klassenstrijd tegen de gehele kapitalistische sociale reactie te kunnen geven. Bij de verkiezingen in november behalden de links- en republikeinse partijen met een opkomst van 60 procent slechts 3,2 miljoen stemmen, terwijl de klerikaal-fascistische CEDA en haar bondgenoten vijf miljoen en monarchisten 800.000 kiezers kon mobiliseren. De nieuwe minister-president was Lerroux van de Radicale Partij, een democratische formatie, die als een liberale partij begon en tamelijk breed rechts eindigde.

Nou zou een echte sociaalrevolutionaire kracht impuls voor de klassenstrijd tegen het nieuwe regime moeten geven zowel met een duidelijke oriëntatie op het einddoel, de klassen- en staatloze maatschappij, als op de sociale actie-eenheid van het klassenstrijdige proletariaat voor het ogenblik. Beide taken kon de CNT als niet-revolutionaire organisatie niet oplossen. Haar instellingen van de klassen- en staatloze maatschappij waren te vaag en inconsequent – die dan naadloos in een vorm van het kapitalisme omsloeg, hoe we hieronder nog zullen analyseren – en als organisatie van geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging kon zij geen impuls voor de sociale actie-eenheid voor het klassenstrijdige proletariaat geven. Volgens de algemene ontwikkelingstendenties van de vakbeweging kon de CNT slechts het proletariaat aan organisatie egoïstische lijnen splitsen en/of met de andere partijen en vakbonden ten bate van het kapitalisme pacteren. Beide deed de CNT.

Maar laten we eerst bekijken naar de ontwikkeling van de Socialistische Partij(PSOE). Dat is een oude traditie van de sociaaldemocratie, dat deze, als zij van de regering verantwoordelijkheid opnieuw in de oppositie rol terugkeert, gedraagt zich weer links. Het was ook in die tijd in Spanje zo. Daarbij kwam ook de repressieve maatregelen van het Lerroux regime tegen de Socialistische Partij, die socialisten zelf tijdens hun regeerperiode nomen. Dit leidde bijna tot de komische “bolsjewisering” van partijen. Voor de revolutionaire kritiek is de staatskapitalistische bolsjewisme zelf slechts een radicale variant van de sociaaldemocratie, maar het milieu van de Socialistische Partij was geen biotoop, waarin een echt bolsjewisme kon ontstaan. De Socialistische Partij ontbraken zowel alle bolsjewistische kwaliteiten van een kleinburgerlijk radicalisme in de strijd voor de staatsmacht als het staatskapitalistische gevolg van de politieke verovering van de macht. Zo bleek bij de “bolsjewisering” van de Socialistische Partij nauwelijks meer als radicaal klinkende frasen over “revolutie” en “dictatuur van het proletariaat”, die vooral de voormalige arbeidsminister van de bourgeoisie, Caballero, afranselde.

Allicht, door de staatsgreep van de bolsjewistische partij in oktober 1917 – volgens oude Russische kalender – waren de socialistische politbazen zeer onder de indruk. Maar de sociale dynamiek van deze staatsgreep begrepen ze niet. De bolsjewistische machtsverovering baseerde zich op massale proletarische en kleinboer(in)en illusies die in het revolutionaire proces groeide. De machtsverovering van de bolsjewieken in oktober 1917 was het hoogtepunt van de anti-feodale antiprivaat kapitalistische revolutie en tegelijkertijd het keerpunt in de stand-kapitalistische contrarevolutie. Bovendien was de machtsovername door de bolsjewistische partij door het masker “Alle macht aan de sovjets(raden)” gemaskeerd – de bolsjewistische partijdictatuur gooide dit masker snel weg en toonde zijn ware staatskapitalistische gezicht. De politbazen van de Socialistische Partij geloofden bij het voorbereiden van een staatsgreep in zowel de radicalisering van het proletariaat in een langer proces als in een vermomming door de organen van de proletarische zelforganisatie af te kunnen zien. Daardoor werd de “bolsjewisering” van de Socialistische Partij eerder een karikaturale kopie van het origineel. De stalinisten noemden ook de zich radicaliserende Socialistische Partij verder als “sociaalfascistisch”. Maar de trotskisten, die toen al van de pogingen van het reformeren van “Communistische” internationaal afstapten en in hen IV internationaal overgingen, met alle “kritiek” van de socialisten waren nog steeds onder de indruk door de bolsjewistische frasen van de Spaanse sociaaldemocratie. Trotski eiste zelfs van zijn Spaanse aanhangers, de zogenaamde “linkse communisten” de toetreding tot de Socialistische Partij, om hun radicaliseringproces sterker te kunnen beïnvloeden. Toch de “linkse communisten” weigerden de toegang tot de Socialistische Partij.

Maar een was bij de komische radicalisering van de Socialistische Partij echt: ze wilde niet zonder gevecht tegenover het fascisme capituleren zoals de Duitse sociaaldemocratie. Zo organiseerde de PSOE een reproductief-defensieve klassenstrijd van het proletariaat tegen de klerikaal-fascistische CEDA. Een bewuste sociale revolutionaire stroming zou tot deelnemen aan deze strijd moeten oproepen, zonder enigerlei allianties met de partij- en vakbondbazen van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging in te gaan, maar tegen deze permanent vechten. Ook zou een bewuste sociaalrevolutionaire stroming tijdens de reproductief-defensieve klassenstrijd tegen de CEDA de antifascistische ideologie-productie in al zijn schakeringen bekritiseren en de noodzakelijkheid van een revolutionaire klassenoorlog tegen de democratie als dictatuur van het kapitaal benadrukken.

De CEDA probeerde in 1934 om grote bijeenkomsten te organiseren, namelijk die in 22 april in Escurial in de buurt van Madrid, waarin de Catalaanse grootgrondbezitt(st)ers in 8 september in Madrid tegen de door de Catalaanse regionale regering aangenomen liberale pachtwetten en die in 9 september goedgekeurd Covadongas Asturië. Toch dankzij het klassenstrijdige proletariaat werden alle drie vergaderingen van klerikaalfascisten misgegaan. De arbeid(st)ers zetten in de regio’s, waar de CEDA hun vergaderingen organiseerden, het werk neer en streden tegen het klerikaal-fascisme. Zij trokken tramsporen uit, stopten de treinen, maakte de verzorging en de huisvesting van CEDA activisten onmogelijk, blokkeerden de wegen door barricades en dwongen de klerikaalfascisten met vuisten en wapens tot terugkeer. De weinige reactionairen, die met behulp van het leger en de Guardia Civil in weerwil van de proletarische klassenstrijd aan de ontmoetingsplaatsen druppelden, boden een eerder zielige beeld en demonstreerden de onmacht van het klerikaal-fascisme in de sociale klassenoorlog.

Naast de strijd tegen de CEDA radicaliseerde zich ook de reproductieve klassenstrijd. Zo legde in juni 1934 een algemene staking van het landproletariaat voor twee weken de agrarische productie plat. De regering verklaarde een noodtoestand tegen het klassenstrijdige proletariaat. Ook in de industrie waren er stakingen. Toen de CEDA drie leden in oktober 1934 aan de regering detacheerde, riepen de Socialistische Partij en de door deze beïnvloedde vakbond UGT tot algemene staking op 4 oktober op. Een revolutionaire stroming zou aan de algemene staking deelnemen, tegelijkertijd de antifascistische bekrompenheid bekritiseren. De Catalaanse CNT boycotte in plaats van de algemene staking met de pseudoradicale argument, dat de staking niet tegen de bourgeoisie gericht was. Door deze organisatie-egoïstische splitsing van het klassenstrijdige proletariaat door de CNT-bazen werd de kapitalistische sociale reactie enorm begunstigd. Door niet-strijkende CNT-spoorwegarbeiders kon de overheid troepen en goederen vervoeren. De algemene staking radicaliseerde zich tot gewapende strijd.

Door het gedrag van de voorzitter van de Catalaanse regionale regering en de leider van Esquerra Repblicana de Catalunya (ERC), Lluis Companys, werd nog een keer de hulpeloze karakter van het democratische antifascisme duidelijk. Companys nam de regeringsdeelname van de klerikaal fascisten als een kans om de onafhankelijkheid van Catalonië van Spanje uit te roepen. Daarop casseerde het regime in Madrid het statuut van Catalaanse autonomie van 1934. Toen de Spaanse centrale regering troepen stuurde, weigerde Companys vanzelfsprekend het proletariaat te bewapenen en capituleerde. Logisch. De regering van Madrid belichaamde voor Companys een klassengebroeders, waarmee zij wat ruzie had, maar het proletariaat was de klassenvijand!

Terwijl het regime Madrid in de rest van Spanje met ijzeren hand de algemene staking en het sporadische gewapende verzet van het proletariaat neersloeg, ontwikkelde zich Asturië in de nacht 5 oktober 1934 een grotere opstand. Het klassenstrijdige proletariaat dwong de partij- en vakbondbazen van de PSOE, P“C”E, UGT en CNT tot eenheid – omdat zij anders de controle over deze opstand zouden verliezen. Gewapend met geweren en dynamiet sticks arbeid(st)ers bezetten meerdere dorpen en steden. Ook de provinciale hoofdstad van Asturias, Oviedo, werd bezet door het klassenstrijdige proletariaat. Het werd tot de macht van arbeid(st)ers en boer(in)en uitgeroepen en een arbeid(st)ersmilitie gevormd. Een deel van het leger verbroederde met de opstandelingen. Het Madrid regime zette vervolgens het Vreemdelingenlegioen en de Moorse Regulares tegen de Asturische Commune in. De contrarevolutionaire troepen stonden onder het bevel van een bekende Francisco Franco. Na ernstige militaire repressie, waarbij ook bombardementen behoorden, werd de Asturische Commune door de reactie na twee weken verstikt. In deze strijd werden 3.000 gedood en 7.000 gewond. De zegevierende contrarevolutie arresteerde, martelde en mishandelde na de nederlaag van de klassenstrijd in Asturië 40.000 mensen. Ook na de contrarevolutionaire vernietiging van de Asturische Commune was de vechtlust van het proletariaat nog niet gebroken. In 1 mei 1935 legden de proletariërs van Spanje bijna volledig het werk neer. Ook de campagne voor de amnestie van gevangenen van de klassenstrijd zette het Madrid regime onder zware druk.

De regeringscoalitie van de Radicale Partij en CEDA kwam in het najaar van 1935 tot een crisis. Het werden corruptieschandalen bekend, waarin ook de minister-president Lerroux betrokken was. De klerikalfaschistische CEDA-baas Gil Robbles, die sinds april 1935 oorlogsminister was en deze functie Franco tot chef van de generale staf gemaakt had, hoopte tevergeefs voor de post van minister-president van een nieuwe regering. President Zamora ontbond het parlement, de Cortes, en schreef voor februari 1936 vervroegde verkiezingen uit.

Advertisements
Comments

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s