De Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) als het binnenskapitalistische conflict

Posted: July 15, 2016 in CNT, crisis, FAI, katholieke kerk, poum, reproductieve klassenstrijd, Spaanse Armada, Spanje, staat, staatskapitalisme, UGT, vakbond
Tags: , , , , , , ,

Voor de 80ste verjaardag van het begin van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) beginnen we een serie artikelen over deze belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de klassenstrijd. In ons eerste artikel willen we nauwkeurig verdiepen in de geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van het kapitalisme in Spanje. We analyseerden ook het ontstaan en de ontwikkeling van de Spaanse geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in de vorm van zogenaamde arbeiderspartijen en -vakbonden voor het binnenskapitalistische conflict.

De ontstaan en de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme

Om de Spaanse Burgeroorlog tussen 1936 en 1939 te begrijpen, moet men zich met de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme tot de “uitbraak” van deze binnenskapitalistische conflict bezighouden. Want de ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal niet in een luchtledige ruimte plaatsvond, maar in het kader van het wereldkapitalisme, zullen we deze wederzijdse betrekking in het oog houden. Voor de sociaal revolutionairen is het kapitaal in de eerste plaats een sociale verhouding tussen de bourgeoisie (min of meer groot landeigenaren, kapitalisten, hoge economische managers, hoog niveau professionele politici en hoge civiele en militaire ambtenaren) en het proletariaat (de loontrekkende arbeid(st)erklasse en de non-loon werkende bezitloze lagen), met de kleinburgerij (kleine boer(in)en, handwerk(st)ers en kleine handelaren als klassieke bezittende kleinburgerij met privébezit van de productiemiddelen, door de positie en onderwijs geprivilegieerde loon afhankelijke kleinburgerij [ingenieurs, politieagenten, artsen, docenten …] alsook kleine professionele politici die nog niet volledig door de bourgeoisie erkend zijn) als buffer. Dus geven we onze korte inzicht in de Spaanse kapitalisme als een verhaal van klassenstrijden. Net als de sociaal-economische ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal alleen in de wederzijdse betrekking met de andere nationale kapitalen – die samen het wereldkapitaal vormen –  te begrijpen is, is de ontwikkeling van het proletariaat en de geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in Spanje alleen in relatie tot het wereldproletariaat en de internationale geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging te begrijpen. We vertellen het verhaal van de Spaanse proletariaat als het ene deel van het wereldproletariaat.

Spanje gaf door de Europese “ontdekking” en kolonisatie van Amerika van de late 15de eeuw heel veel impulsen voor de ontwikkeling van het moderne wereldkapitalisme, als de Spaanse bourgeoisie voor zichzelf kon opstrijken. Door de grote Europese “ontdekkingen” – met Spanje als hun grote pionier – werden externe omstandigheden voor de groei van het continentale  handel- en financiële kapitaal gecreëerd. De productie was in deze tijd nog niet kapitalistisch maar feodal-landbouweerlijk in de landbouw en kleinburgerlijk in de steden. Maar de kleinburgerlijk geproduceerde goederen werden door het handelskapitaal naar verre markten verkocht. Door de koloniale uitplundering van Amerika belandden door de handelsbourgeoisie ook Amerikaanse producten op de Europese markten. Toch Spanje als heerser van Zuid-Amerika maakte niet de glanzende kapitalistische carrière door als Nederland de voormalige Spaanse kolonie en eerste handelsnatie en Groot-Brittannië als de eerste industriële natie. Dit kan alleen worden verklaard door het feit dat onder de invloed van interne en externe factoren van het kapitalisme in Spanje minder ontwikkeld was dan in Nederland of Groot Brittannië.

Een belangrijke factor in de ontwikkeling van het kapitalisme – in het begin in het kader van het feodalisme en dan buiten – was de verovering van de staatsmacht door de bourgeoisie, waardoor de politiek een burgerlijk politiek werd. Een overgangsvorm van de feodaal – nog sterk regionaal versplitst – staat in vergelijking met de moderne burgerlijke natiestaat was absolutisme. De regionale en provinciale edelenmacht wordt door het absolutisme ten gunste van de centrale macht van monarchen enorm beperkt. Dit centralisme was een belangrijke voorvorm van moderne burgerlijke staat die vanzelfsprekend van meteen aan begin als machtsapparaat van de bourgeoisie sociaalreactionair was. Toch de absolute machtaanmatiging van monarchen richtte zich niet alleen tegen de oude adel maar ook tegen de groeiende bourgeoisie. Daarom moest absolutisme als een overgangsfase tussen feodalisme en het kapitalisme overwonnen worden – door burgerlijke staatsvormen als constitutionele een dergelijke van de overheid (dwz, parlementairs controlerend) monarchie, democratische republiek of een militaire dictatuur. De eerste burgerlijke staatvormen werden door de Nederlandse en Engels bourgeoisie veroverd, waardoor zij de politieke voorwaarden voor de economische ontwikkeling van het kapitalisme schiepen.

Door de voorhoede positie van Spanje in het Europese en globale politiek vanaf het einde van 15de eeuw versterkte zich ook het handelskapitaal in Spanje. Toch kon de Spaanse bourgeoisie geen eigen nationaal en tegelijk op Europese schaal handels- en financieel centrum voortbrengen. De edelmetalen, die het Spaanse kolonialisme uit Zuid-Amerika uitzuigen, waren het ruilmiddel voor handelswaren, die via Antwerpen – het centrum van Europa gedurende de eerste helft van de 16e eeuw – circuleerden. Ook bleef Spanje ondanks de Amerikaanse edelmetalen van grote buitenlandse geldhuizen als kredietinstituten zoals de Fuggers uit Augsburg afhankelijk. De opvolger van Antwerpen als Europees centrum van de tweede helft van de 16e eeuw, Genua, was ook de middenpunt van handel en krediet. Vanaf 1627 was de Nederlandse metropool Amsterdam het Europese handels- en financieel centrum. Vanaf ca 1700 Amsterdam verloor zijn positie als het Europese handelscentrum aan Londen wat de uitdrukking en de voorwaarde van de ontwikkeling van het Engelse handelskapitaal was. Aan het eind van 18e eeuw verloor Amsterdam ook de status van het Europese centrum van financieel kapitaal aan de Britse hoofdstad Londen. Dat het de Spaanse bourgeoisie niet lukte in hun eigen land tijdens zijn bloeitijd een nationale en tegelijkertijd continentale handels- en financiële centrum te creëren, was een factor van de relatieve zwakte van het Spaanse nationale kapitaal.

Door het feit dat de Spaanse bourgeoisie geen grote nationale en op Europese schaal handels- en financiële centrum kon scheppen, bleef de feodaal-monarchistische reactie relatief sterker dan de burgerlijke kapitalistische sociale reactie. Al de relatief sterke Engels bourgeoisie manoeuvreerde in de 17e eeuw tussen de monarchistische reactie en de kleinburgerlijke en preindustrie-proletarische straatbeweging als sociale drijfveer van de antimonarchistische revolutie. Toch bracht de Engelse bourgeoisie onder Cromwell een relatief consequente antimonarchistische vleugel voort, onder deze politieke heerschappij Engeland ook kortstondig Republiek werd. De politieke machtverovering van de burgerlijke republikeinen was het hoogtepunt van de antimonarchistische revolutie en tegelijk de overgangspunt in de burgerlijke contrarevolutie tegen de kleinburgerlijke en preindustrie-proletarische straatbeweging (Levellers en Diggers), waartegen Cromwell zich tevens met bloedige gevolgen.

Vooral de katholieke kerk in Spanje ontwikkelde zich tot een bolwerk van de feodaal-monarchistische reactie. De kerkelijke repressie apparaat, de inquisitie, was bijzonder krachtig en brutaal in Spanje. Zij zag in de uitplundering van Spaanse burgerij hun belangrijkste bron van inkomsten. Zo was er in het begin van de 16e eeuw, 1520, namelijk een opstand van de burgerlijke steden tegen de monarchie, toch werd zij in 1521 in de slag bij Villalar door de monarchistische reactie succesvol versloeg, omdat een deel van de steden passieve gebleven was. De relatief zwakke Spaanse bourgeoisie lukte het niet zoals in de Nederlandse nationaal reactionaire onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje in de 16e eeuw of zoals de Engelse in de 17e eeuw de politieke macht te verkrijgen. Daardoor werd het Spaanse kapitalisme door de interne feodaal-monarchistische reactie en de buitenlandse kapitalistische concurrentie in zijn verdere ontwikkeling gehinderd. Ook kon de handelskapitalistische centralisatie in Spanje niet absoluut tegen de feodale versplintering overweldigen. Het gevolg was dat de Spaanse nationalisme tot op heden alleen moeilijk tegen sub-nationalisme zoals de Baskische en de Catalaanse, die natuurlijk niet minder sociaal reactionair dan de Spaanse zijn, kan overweldigen. Echter blijft een zwakke nationale staat in concurrentie met anderen achter.

Vooral de door de overheid gesponsorde Engelse piraterij, die de Spaanse kolonialisme niet weinige van de Amerikaanse buit weer afnam, maakte het Spaanse handelskapitaal in de 16e eeuw het leven moeilijk. 1588 won Engeland over de Spaanse Armada daarmee ging de marine suprematie van Spanje definitief verloren. In de jaren 1581-1621 scheidden zich de handelskapitalistische Nederland door hun nationaalreactionaire onafhankelijkheidsoorlog van Spanje. 1820 verloor Spanje definitief het koloniale controle van Zuid Amerika. Het opkomende VS-imperialisme verplaatste Spanje in 1898 een zware klap doordat de eerste de voormalige Spaanse kolonies van Cuba, Puerto Rico en de Filippijnen in zijn invloedssfeer bracht. Spanje probeerde toen om de status van een koloniale macht in Marokko te behouden. De verovering en onderwerping van Marokko duurde 1912-1926 en verzwakte Spanje sociaaleconomisch. Spanje was in de binnensimperialistische conflicten sinds het einde van de 16e eeuw eerder aambeeld dan hamer. Wegens de zwakke industriële kapitalistische basis kon zich Spanje tegen over andere, hoger ontwikkelde kapitalistische naties niet doorzetten, en omdat Spanje niet tegenover de burgerlijke staten concurrentie kon doorzetten, bleef de industrie kapitalistische basis zwak.

Alleen door de versnelde ontwikkeling van het industriële kapitalisme en zijn beide hoofdklassen bourgeoisie en proletariaat kon de dominantie van de halffeodale landbouw gebroken en de monarchie met de katholieke kerk en de officierskorps als hun sociale pijlers overwonnen worden. Burgerlijke Republikeinen ageerden vrij hulpeloos in Spanje zonder sterke industriële kapitalistische basis. In de antimonarchistische revolutie van 1868, die door een militaire putsch veroorzaakt en door stedelijke lagen ondersteund werd emigreerde koningin Isabella II naar Frankrijk en een coalitie van generaals en Republikeinen overnam de politieke macht. Toch de meerderheid in het Spaanse parlement van liberalen en monarchisten reproduceerde de politieke heerschappijvorm van de monarchie. Zo werd de koning van Aosta, Amadeo van Savoye, een zoon van Italiaanse regent Victor Emanuel II., de Spaanse troon aangeboden. Onder deze heerschap verscherpten zich de sociale conflicten in Spanje verder. Er werden massaal het land van de grootgrondbezitt(st)ers bezet en de daaruit ontstaande proletariaat hief zijn sociale eisen. Toen had de vorst geen zin en stapte hij in januari 1873 van de Spaanse troon af waarna het Spaanse parlement in 11 februari tot de Eerste Republiek uitriep.

Echter dit Eerste Republiek, dat uiteraard net als elke staatsvorm in principe sociaalreactionair was, werd in de klassenstrijd tussen proletariaat en bourgeoisie en de monarchistische contrarevolutie verpletterd. Na de parlementsverkiezingen, waarin de burgerlijke republikeinen 90 procent van de stemmen verkregen, werd hun vertegenwoordiger Pi y Margall regeringschef. Toch trad hij onder proletarisch-klassenstrijdige en monarchistische-sociaalreactionaire druk in 18 juli 1873 terug. Zijn opvolgers drukten nog sterker op de militaire nederlaag van de boeren en de proletarische sociale weerstand. In het begin 1874 ontbond het leger het Spaanse parlement, de Cordes. Onder de voorlopige militaire dictatuur van generaal Serrano werd in december 1874 de monarchie weer hersteld. De zoon van Isabella II., Alfonso XII., werd de nieuwe koning van Spanje.

Het ontstaan en de vorming van geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in Spanje

De belangrijkste ontwikkelingsfase van Spaanse industrie duurde tussen 1898-1918 en 1918, tussen de Spaans-Amerikaanse Oorlog en de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de laatste Spanje bleef neutraal. De Spaanse economie nam door middel van de uitvoer van landbouwproducten naar de oorlogvoerende staten een opleving. De door deze export ingenomen deviezen werden door de Spaanse nationale kapitaal gebruikt om de industriële ontwikkeling te financiering. Het industriële kapitalisme ontwikkelde zich voornamelijk in de Catalaanse hoofdstad Barcelona, evenals in Santander en in Bilbao aan de noord-Baskische kust. Daardoor werd ook het industriële proletariaat sociaal versterkt.

De geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging ontwikkelde zich met het kapitalisme in Spanje. Ze werd in een partijmarxistische en anarcho-syndicalistische vleugel gesplitst. 1879 werd de in de praktijk parlementair-sociaalreformistische en in de ideologie marxistisch-revolutionaire Socialistische Arbeiderspartij van Spanje (PSOE) opgericht. In 1913 telde deze typische sociaaldemocratische partij ongeveer 12.000 leden en had gekozen parlementariërs in bijna 40 gemeenten oftewel stadsraden en provincieraden. In 1888 werd socialistische vakbond Union General de Trabajadores (UGT) opgericht. In concurrentie met het partijmarxisme ontwikkelde zich in Spanje behoorlijk succesvol de anarchistische vakbeweging, de anarchosyndicalisme. In 1911 werd de vakcentrale Confederación Nacional del Trabajo (CNT) opgericht. Zowel de UGT als de CNT hadden in de jaren 1920 elk meer dan 1 miljoen leden. In 1927 werd de militante vleugel van de CNT, de Federación Anarquista Ibérica (FAI) gevormd die zich tegenover de CNT vaak als graalhoeder de zuivere anarchistische leer opwierp. Maar ook werd de FAI zoals CNT, UGT, PSOE en de partij- “communistische” formaties P“C”E en POUM tijdens de burgeroorlog een politieke karaktermasker van het kapitaal …

De geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging was zowel in Spanje als internationaal de bureaucratisch en ideologisch vervreemde uitdrukking van reproductieve klassenstrijd van het proletariaat. Als reproductieve klassenstrijd is de strijd die het proletariaat in het kader van het kapitalisme voor betere leefomstandigheden voert. Deze klassenstrijd heeft zowel zijn revolutionaire als zijn conservatieve en zelfs reactionaire momenten. De revolutionairste tendens is dat zich in klassenstrijd de proletariërs niet alleen de dictatuur van het kapitaal en de staat onderworpen maar zelfbewust voor hun eigen belangen en behoeften strijden. Ook gebeurt het in de loop van de klassenstrijd dat het proletariaat in de praktijk het kapitalistische eigendom van de productiemiddelen en de staatswetten minachtte. De objectief conservatieve kant van de reproductieve klassenstrijd is dat het niet verder dan het kapitalisme kan gaan. Daarvoor zijn de revolutionaire zelfafschaffing van het proletariaat en de vorming van een klassen- en staatloze maatschappij noodzakelijk. Toch de reproductieve klassenstrijd is een noodzakelijke praktische school voor de mogelijke sociale revolutie. Bijna alles van de sociale revolutionaire theorie is veralgemeende praktijk van de reproductieve en revolutionaire klassenstrijd.

De reproductieve klassenstrijd bracht en brengt de vakbonden en de zogenaamde “arbeid(st)erspartijen” als geïnstitutionaliseerd arbeid(st)ersbeweging voort. Deze waren en zijn min of meer een uitdrukking van de burgerlijke klassenmaatschappij. Ze waren en zijn verdeeld in bourgeois-bureaucratische partij- en vakbondsapparaten en de proletarische basis. Omdat de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging (partijen en vakbonden) die klassenmaatschappij reproduceerde en reproduceert, is zij niet in staat om het kapitalisme te overwinnen, zelfs als enige “marxistische” partijen of “anarchistische” vakbonden ideologisch met volle zeilen op hun doel afgaan. Partijmarxisme en anarchosyndicalisme bedriegen met deze ideologie slecht zichzelf en het proletariaat. Dit is de belangrijkste les die sociaalrevolutionairen tot nu toe in de school van de klassenstrijd kunnen leren.

Ook de klasse vijand, de bourgeoisie, leerde en leert in deze harde school. In het begin ging de heersende kapitalistische klasse globaal totale repressief tegen de proletarische klassenstrijd voor. Maar aan meer en meer leerde grotendeel de wereldbourgeoisie, dat het effectiever is, de klassenstrijd gedeeltelijk te legaliseren en op het juiste spoor te leiden. Daardoor zou de klassenstrijd van het revolutionaire spits gebroken worden. Zo gaaf de repressie tegen de vakbonden en de “arbeid(st)erspartijen” hun integratie in het nationaal kapitalen. Sociaaldemocratische en “communistische” “arbeid(st)erspartijen” werden in hoog ontwikkelde kapitalistische landen in het heersende parlementarisme geïntegreerd. De “Arbeid(st)ersvertegenwoordig(st)ers” waren en zijn in werkelijkheid niets anders dan burgerlijke professionele politici, die net als alle politici door politiek toe-eigenden meerwaarde, die van het proletariaat in de kapitalistische productie uitgeperst wordt, leven. Parlementaire vergoedingen en salarissen van ministers worden uit belastingen betaald – en belastingen zijn niets anders dan een politieke vorm van de meerwaarde.

In de loop van de integratie in het privékapitalisme werd marxisme eerst een ideologie van de sociaaldemocratie, die tot hun reformistische en tenslotte contrarevolutionaire rol niet echt paste, en dan tot de ideologie van het partij-“communisme”, die sociaalhistorisch niets anders was en is dan de radicale vleugel van de sociaaldemocratie. Ten eerste in de Sovjet-Rusland, dan in andere landen van Oost-Europa en de drie continenten (Azië, Afrika en Latijns-Amerika) veroverde de “communistische” partijbureaucratie de politieke staatsmacht en nationaliseerde de economie. Maar de nationalisatie van industriële ondernemingen was slechts de nationalisatie van het kapitaal maar niet zijnde afschaffing. De privaatkapitalisten werden inderdaad als de kern van de bourgeoisie afgezet maar de arbeid(st)ers moesten nu hun arbeidkracht aan de staat verhuren, die deze arbeidskracht uitbuitte. Daarom spreken wij in dit geval over staatskapitalisme. De “communistische” partij- en staatsbureaucratie werd een heersende klasse van het staatskapitalisme en het marxisme een heerschapideologie. Westelijke Moskou gehoorzame “communistische” partijen waren niets anders dan gestrekte armen van de Sovjetstaatskapitalisme. Daaronder bevond zich ook in 1920 oprichte “Communistische” Partij van Spanje (P “C” E).

Marxisme-leninisme is in principe sociaalreactionaire ideologie die op de reactionaire tendensen van Marx/Engels is gebaseerd. Dit waren de aanpassing aan het democratische parlementarisme en de vordering naar de productiemiddelen. Echter het marxisten-leninisme was en is ook de doodgraver van de revolutionaire tendensen van het marxisme: de oprichting van de fundamenten van een materialistisch-dialectische wereldbeschouwing en het revolutionaire kapitalismekritiek. Het partijmarxisme toonde in de jaren 1914-1921 zijn fundamenteel contrarevolutionaire-sociaalreactionaire karakter. In 1914 ondersteunde de meeste sociaaldemocratische partijen hun nationale staten in de imperialistische Eerste Wereldoorlog. In de Europese revolutionaire naoorlogse crisis (1917-1923) hielp de sociaaldemocratie de burgerij om de proletarische klassenstrijd met demagogie en geweld neer te slaan. Vooral de Duitse sociaaldemocratie was de voorhoede van de contrarevolutie. Daardoor werd zij van een kleinburgerlijke naar grootburgerlijke politieke stroming. Het bolsjewisme onder Lenin en Trotski nam in Rusland de staatsmacht en werd daarmee van een kleinburgerlijke radicale een staatskapitalistisch-contrarevolutionaire stroming. Het Lenin/Trotsky regime verpletterde arbeidersraden (sovjets) als een uitgrukking van zelf-georganiseerde klassenstrijd en slachtte in maart 1921 de revolutionaire Kronstadt opstand tegen het staatskapitalisme af. Het partijmarxisme is in principe sociaalreactionair omdat het de ideologie van de partijen is en dit niets anders dan de uitdrukking van de burgerlijke politiek kunnen zijn. Partijen zijn de politieke uitdrukking van de kapitaalvermeerdering, organen van de strijd voor de de politieke staatsmacht. Echter kan deze politieke staatsmacht door het proletariaat niet veroverd, maar moet door het verpletterd worden.

Deze ervaring van de internationale klassenstrijd werden door de voormalige radicale vleugel van het partijmarxisme weerspiegeld. Deze radicale marxistische arbeid(st)ers en intellectuelen in Duitsland en Nederland erkenden de contrarevolutionaire aard van “arbeid(st)ers”-partijen en vakbonden en de betekenis van zelfgeorganiseerde klassenstrijd van het proletariaat. Deze organen van zelfgeorganiseerde klassenstrijd waren tijdens de Europese naoorlogse revolutionaire crisis de arbeid(st)ersraden daarom zich deze radicaalmarxistische stroming radencommunisme noemde. Ons postmarxistische en postanarchistische communisme baseert zich vooral op het radencommunisme en zijn radicale partij- en vakbondskritiek. Wij baseren ons op de revolutionaire tendensen van het marxisme en anarchisme en bestrijden consequent de structureel contrarevolutionaire ideologieën partijmarxisme en anarchosyndicalisme.

Het anarchosyndicalisme toonde vooral tijdens de Spaanse burgeroorlog zijn contrarevolutionaire en sociaalreactionaire aard. En wel als een vakbondsideologie. Vakbonden waren en zijn niets anders dan de bureaucratisch vervreemde uitdrukking van reproductieve klassenstrijd voor betere arbeidsomstandigheden in het kapitalisme. In de loop van de internationale leerproces van de bourgeoisie werden de vakbonden door het CAO- en ondernemingsraadsysteem co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Door het CAO-systeem bepalen de vakbondsbureaucratieën de levensomstandigheden van het proletariaat. De hoogbetaalde bazen hoeven zelf niet op de onderhandelde tarieven te leven, daarom hun “collectieve vermogen” belangrijker dan de concrete onderhandelde tarieven. Tijdens de looptijd van een cao heerst de regel van vredesplicht, de vakbond bureaucratie wordt door het onderhandelen van collectieve overeenkomsten de garant van een grotendeels klassenstrijd vrije tijd. De klassenstrijd wordt tot de tariefuiteenzetting gebagatelliseerd. Ook in ondernemingsraden, die min of meer tot de sociaal partnerschap verplicht zijn, werken de vakbondsbazen constructief met de bourgeoisie samen. Natuurlijk zijn er ook subjectief eerlijke vakbond- en ondernemingsraad activisten maar ze matten zich in dit systeem af, dat door de bourgeoisie en de vakbond bureaucratieën in principe als lange keten voor het proletariaat gesmeed werd.

Hoe gedroeg en gedraagt zich de anarchosyndicalisme voor CAO- en ondernemingsraad systeem? Op idealistisch, sektarische en reformistische-opportunistische manier. Eerst probeerden de anarcho-syndicalisten in Spanje kunstmatig een “revolutionaire vakbond” op te bouwen die de reproductieve klassenstrijd grotendeels negeerde. Maar een vakbond is nu eenmaal een organisatie vorm van de reproductieve klassenstrijd. Wordt een vakbond een massaorganisatie – en de anarcho-syndicalistische vakbonden waren in Spanje massaorganisaties – moet zij ook een reproductieve klassenstrijd leiden en de aanpassing aan deze reproductieve klassenstrijd leidt tot praktische aanpassing aan het kapitalisme. Het is onmogelijk revolutionaire massaorganisaties in niet-revolutionaire tijden op te bouwen. Zo week de aanvankelijk sektarische houding van de Spaanse anarchosyndicalisme tot reproductieve klassenstrijd steeds grotere aanpassing van de globale “anarcho”- syndicalisme aan het CAO- en ondernemingsraad systeem van de bourgeoisie. De contrarevolutionaire logica van vakbondsorganisatie is sterker dan de anarcho-syndicalistische ideologie-productie. Het is niet voldoende als een alternatief voor de bureaucratische sociaaldemocratische vakbonden anarcho-libertaire basis vakbonden op te bouwen – die zich dan toch aan het CAO- en ondernemingsraad systeem aanpassen. Door deze sociaalreformistische opportunisme, dat zich in overeenstemming met de algemene ontwikkelingstendensen van  de vakbonden bevindt, worden binnen het “anarcho”-syndicalisme de revolutionaire tendensen van het anarchisme – zijn antipolitieke-staatsvijandelijke tendensen en ook de juiste kritiek op de parlementair-sociaalreformistische en bureaucratisch-staatskapitalistische karakter van het partijmarxisme – in de praktijk weggevaagd. Want wie zich aan het burgerlijke recht op collectieve overeenkomsten aanpast, accepteerde dadelijk loonarbeid en staat, ook als hij zich in de ideologie-productie nog zo anarchistisch voordeed. Toch een echte sociaalrevolutionaire stroming is onmogelijk die niet ook – naast de revolutionaire tendensen van het marxisme – bij de progressieve tendensen van het anarchisme aanknoopte.

Sociaalrevolutionaire individuen en groepen moeten natuurlijk deelnemen aan de reproductieve klassenstrijd van het proletariaat – zonder aan vakbonden, collectieve onderhandelingen en ondernemingsraad systeem aan te passen. Dat is natuurlijk een moeilijke evenwichtsoefening tussen sektarisme en opportunisme maar in principe mogelijk. Sociaalrevolutionairen nemen vanzelfsprekend aan de klassenstrijd voor hogere lonen en lagere werktijden deel zonder vrijwilligerswerk of zelfs fulltime functies in de grotere vakbonden te overnemen. We maken gebruik van de tendentiele radicalisering door klassenstrijd om met onze collega’s en klassenbroers en -zussen fundamenteel in een interactieve dialoog kapitaal, loonarbeid, patriarchaat en staat te bekritiseren. Aan de hand van de concrete klassenstrijd moeten natuurlijk proletarische revolutionairen ook altijd de vakbondbureaucratie bekritiseren en ook al binnen de vakbondstrijd de proletarische zelforganisatie te versterken. Als de opstand van het proletariaat over de vakbondsbureaucratie al erg groot is, kan een goed verankerde sociaalrevolutionaire stroming impuls voor een wilde staking zonder en tegen de vakbonden geven – en voor de ontwikkeling van organen van zelfgeorganiseerde klassenstrijd zoals onafhankelijke staking comités, plenums, raden …

Toch komen we tot de geschiedenis van de Spaanse kapitalisme vóór 1921 terug. Dat was ook een geschiedenis van de klassenstrijd. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog stortte de buitenlandse markten van de Spaanse landbouwproductie in wat met een sociale verarming van landbouw- en industrieproletariaat en met een radicalisering van de klassenstrijd verbonden was. Het leger, de sociale pijler van de Spaanse grootgrondbezitters en bourgeois, forceerde vervolgens de klassenstrijd van boven. In 1923 verrichtte General Miguel Primo de Rivera een militaire dictatuur. Echter met de sociale verarming van de wereldcrisis in 1929, was ook de poging van de heersende klassen van Spanje door een ijzeren militaire dictatuur iedere boer en de proletarische weerstand te verstikken, mislukte. In 1930 moest de militaire dictator Rivera aftreden. Nadat de militaire dictatuur met naakt geweld niet meer in staat was om succesvol de klassenstrijd van boven te leiden werd door de parlementaire verkiezingen in april 1931 – die de overwinning aan de burgerlijke republikeinen, met inbegrip van de socialistische PSOE, bracht – een democratische Tweede Republiek geschapen die naast het geweld ook een weinig democratische ideologie-productie in het spel bracht …

Omdat we de geschiedenis van de korte Tweede Republiek in de volgende teksten meer in detail als een geschiedenis van de klassenstrijd beschrijven willen we ons een beetje meer de sociaaleconomische situatie van Spanje op de vooravond van de burgeroorlog bezighouden. In de jaren 1930 bestond er in Spanje een industrieproletariaat van twee tot drie miljoen mensen. In 1932 waren – voorwaardelijk door de wereldwijde economische crisis – nog 650.000 werklozen geregistreerd. Spanje was in de jaren 1930 in wezen nog een agrarisch land. Zo leefde in 1936, 70 procent van de Spaanse bevolking op het land. Dat waren 200.000 grootgrondbezitters, 3 miljoen arme en kleine boer(in)en en twee miljoen landbouw arbeiders, zonder enige eigendom en grond. Ook veel klein boer(in)en konden van hun eigen land nauwelijks leven, zodat ze hun arbeidkracht extra aan de grootgrondbezitters moesten verhuren. De uitbuiting van het landproletariaat door de grootgrondbezitters moeten wij als halffeodale-halfkapitalistisch noemen, omdat de uitbetaling van de lonen vaak nog in natura gebeurde en de grootgrondbezitters nog niet volledig met de stedelijke burgerij tot de heersende kapitalistische klasse versmolten waren. Maar toch was de sociale verbinding tussen de stedelijke burgerij en de grootgrondbezitters al zo sterk dat de eerste onbekwaam en ongewillig tot een radicale landhervorming was. Veel grootgrondbezitters waren bij de stedelijke banken verschuldigd. Deze leningen zouden bij een onteigening van grote landgoederen invorderbaar d.w.z. “rot” zijn geworden. Ook bezatten sommige stedelijke Bourgeois zelf land.

Gerald Brenan schreef over de leefomstandigheden van de Spaanse landproletariaat: “In 1930 verdienden zij gemiddelde van 3 tot 3,5 peseta’s (1 peseta = 49 Pfennig) voor een achturige werkdag gedurende vier of vijf maanden in het jaar. In de zomer – onder de verschrikkelijke hitte van de Andalusische zon – verdienden zij 4-6 pesetas voor een twaalfurige werkdag. In de resterende tijd zes maanden lang waren ze werkloos. Met uitzondering van het oogstseizoen, waar men hen bonen gaaf, bestond hun enige maaltijd van gazpacho, een soep van olie, azijn en water op het brood dreef. Bij het ontbijt aten ze warm, ‘s middags koud en ‘s avonds weer warm. Veel van deze gezinnen hadden geen huisraad, behalve een pan en aten hun maaltijden op de vloer hurkend als dieren.” (Gerald Brenan, The Spanish Labyrinth, Cambridge University Press, New York 1943, pp 120/121.)

De versmelting van het grootgrondbezit en kapitaal bracht de katholieke kerk van Spanje tot uitdrukking. Als institutionele eigenares(KK) was deze zowel landeigenares als grootkapitalist. De katholieke kerk bezat veel land, was bij vele bedrijven, mijnen, grote warenhuizen en banken betrokken en voor haar werkten meer mensen dan de staat ambtenaren bezighield. Felix Morrow schreef over de kracht van de katholieke kerk aan het begin van de jaren 1930: “Haar hordes waren een ware leger die de Republiek tegenover stond: van 80-90.000 in 4000 kerkelijke ordenshuizen, en meer dan 25.000 kerk priesters – het aantal alleen in de religieuze orden overtrof zo de hele middelbare scholieren en was twee keer zo hoog als het aantal studenten in het land.” (Felix Morrow, Revolutie en contrarevolutie in Spanje, 1986, blz 30). Door haar christelijke ideologie-productie hield de katholieke kerk de stedelijke en landelijke kleinburgerij en proletariaat in geestelijke afhankelijkheid van grootgrondbezitters en de bourgeoisie. Nog in de jaren 1930 waren een derde van de Spaanse bevolking analfabeet. Terwijl de katholieke kerk een belangrijke ideologie apparaat van de heersende klassen was, vertegenwoordigde het leger de voornaamste geweldmachine van de Spaanse staat.

Advertisements
Comments

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s