Archive for July, 2016

We gaan door met onze serie artikelen onder de titel “De Spaanse Burgeroorlog als een binnenskapitalistischeconflict” en vandaag willen we de politieke strijd van boven- en de klassenstrijd van onder in 1931-1936 analyseren. In dit artikel hebben we ons gericht op de politieke partijen en vakbonden van deze periode en de subjectieve voorwaarden die nodig zijn voor de overwinning van de sociale revolutie. We gaven ook ons begrip van de gezamenlijke sociale actie van het proletariaat, vertelden over de militante strijd van het Spaanse proletariaat tegen de klerikale-fascisme en over de proletarische opstand in oktober 1934 in Asturië.

Na ons kort inzicht in de geschiedenis van de Spaanse kapitalisme, willen we nu de klassenstrijd tussen het uitroepen van de Republiek en de staatsgreep van de generaals in meer detail beschrijven. We zullen reeds in deze tekst op de partijen en de vakbonden van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging een radicale kritiek onderwerpen. Daarnaast proberen we ook te beschrijven hoe vanuit ons huidige gezichtspunt echt sociaalrevolutionaire groepen en stromingen zich zouden moeten gedragen. Deze uitbeelding toont ons als proletarische revolutionairen in tegenstelling tot de ordelijke betaalde professionele wetenschappers. In ieder geval deze benadering is ook niet onproblematisch. Het is niet omdat onze huidige positie het toen überhaupt niet zou hebben gegeven. Echter, de fundament van onze huidige revolutionaire standpunten was er toen al, belichaamde in het partij- en vakbondvijandelijke radencommunisme en in de scherpe democratie- en antifascisme-kritiek van de partijachtige Italiaanse linkscommunisme. Maar in Spanje waren er deze stromingen toen niet. De afwezigheid van linker- of radencommunistische stromingen is nogal een uitdrukking van de klassenstrijd en klassenbewustzijn van het toenmalige proletariaat in Spanje geweest. Het is niet onproblematisch, wanneer we het naar onze huidige mening noodzakelijke gedrag van toen niet in Spanje bestaande bewust revolutionaire stromingen proberen te beschrijven. Maar we doen het toch gewoon, omdat we niet kleinburgerlijke kamergeleerden, maar proletarische revolutionairen zijn. Zo was er in 1931, toen het Spaanse kapitalisme zijn politieke heerschapvorm van monarchie naar een democratische republiek omvormde, geen bewuste sociaalrevolutionaire stroming, die met een radicale en materialistische politiek- en democratie-kritiek de illusies van de arbeid(st)ersklasse en met een duidelijke oriëntatie tegengegaan op de zelfgeorganiseerde klassenstrijd en de militante vorm – de proletarische dictatuur – die duidelijke signalen zou hebben gegeven. Er was slechts één geïnstitutionaliseerd arbeid(st)ersbeweging met hun partijmarxistische en anarcho-syndicalistische organisaties en ideologieën, die tussen reactionaire sociaalreformisme en organisatie-egoïstische sektarisme hulpeloze heen en weer slingerde. Tijdens de parlementaire-sociaalreformistische Socialistische Partij in 1931 samen met republikeinse partijen een coalitieregering vormden, d.w.z. openlijk contrarevolutionair ageerde, bevond zich de P“C”E als de geheel Moskou horige ‘Communistische’ Internationaal in de zogenaamde “Derde Periode”. Gedurende deze tijd verhulde het officiële partij-“communisme” zijn fundamenteel sociaalreactionaire staatskapitalistische karakter met een verbaalradicalisme, die zich mentaal op een zeer laag niveau bevond. De stalinisten waren in structureel niet in staat, om de sociaaldemocratie materialistisch-revolutionair te bekritiseren, maar ze beschimpten dit totaal zwakzinnig als “sociaalfascistisch”. Ze weigerden zelfs organisatie-egoïstisch elke samenwerking met de andere organisaties van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging. Daardoor namen ze aan de politieke verdeeldheid van het proletariaat deel. (more…)

Advertisements

Voor de 80ste verjaardag van het begin van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) beginnen we een serie artikelen over deze belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de klassenstrijd. In ons eerste artikel willen we nauwkeurig verdiepen in de geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van het kapitalisme in Spanje. We analyseerden ook het ontstaan en de ontwikkeling van de Spaanse geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in de vorm van zogenaamde arbeiderspartijen en -vakbonden voor het binnenskapitalistische conflict.

De ontstaan en de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme

Om de Spaanse Burgeroorlog tussen 1936 en 1939 te begrijpen, moet men zich met de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme tot de “uitbraak” van deze binnenskapitalistische conflict bezighouden. Want de ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal niet in een luchtledige ruimte plaatsvond, maar in het kader van het wereldkapitalisme, zullen we deze wederzijdse betrekking in het oog houden. Voor de sociaal revolutionairen is het kapitaal in de eerste plaats een sociale verhouding tussen de bourgeoisie (min of meer groot landeigenaren, kapitalisten, hoge economische managers, hoog niveau professionele politici en hoge civiele en militaire ambtenaren) en het proletariaat (de loontrekkende arbeid(st)erklasse en de non-loon werkende bezitloze lagen), met de kleinburgerij (kleine boer(in)en, handwerk(st)ers en kleine handelaren als klassieke bezittende kleinburgerij met privébezit van de productiemiddelen, door de positie en onderwijs geprivilegieerde loon afhankelijke kleinburgerij [ingenieurs, politieagenten, artsen, docenten …] alsook kleine professionele politici die nog niet volledig door de bourgeoisie erkend zijn) als buffer. Dus geven we onze korte inzicht in de Spaanse kapitalisme als een verhaal van klassenstrijden. Net als de sociaal-economische ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal alleen in de wederzijdse betrekking met de andere nationale kapitalen – die samen het wereldkapitaal vormen –  te begrijpen is, is de ontwikkeling van het proletariaat en de geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in Spanje alleen in relatie tot het wereldproletariaat en de internationale geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging te begrijpen. We vertellen het verhaal van de Spaanse proletariaat als het ene deel van het wereldproletariaat.

Spanje gaf door de Europese “ontdekking” en kolonisatie van Amerika van de late 15de eeuw heel veel impulsen voor de ontwikkeling van het moderne wereldkapitalisme, als de Spaanse bourgeoisie voor zichzelf kon opstrijken. Door de grote Europese “ontdekkingen” – met Spanje als hun grote pionier – werden externe omstandigheden voor de groei van het continentale  handel- en financiële kapitaal gecreëerd. De productie was in deze tijd nog niet kapitalistisch maar feodal-landbouweerlijk in de landbouw en kleinburgerlijk in de steden. Maar de kleinburgerlijk geproduceerde goederen werden door het handelskapitaal naar verre markten verkocht. Door de koloniale uitplundering van Amerika belandden door de handelsbourgeoisie ook Amerikaanse producten op de Europese markten. Toch Spanje als heerser van Zuid-Amerika maakte niet de glanzende kapitalistische carrière door als Nederland de voormalige Spaanse kolonie en eerste handelsnatie en Groot-Brittannië als de eerste industriële natie. Dit kan alleen worden verklaard door het feit dat onder de invloed van interne en externe factoren van het kapitalisme in Spanje minder ontwikkeld was dan in Nederland of Groot Brittannië.

Een belangrijke factor in de ontwikkeling van het kapitalisme – in het begin in het kader van het feodalisme en dan buiten – was de verovering van de staatsmacht door de bourgeoisie, waardoor de politiek een burgerlijk politiek werd. Een overgangsvorm van de feodaal – nog sterk regionaal versplitst – staat in vergelijking met de moderne burgerlijke natiestaat was absolutisme. De regionale en provinciale edelenmacht wordt door het absolutisme ten gunste van de centrale macht van monarchen enorm beperkt. Dit centralisme was een belangrijke voorvorm van moderne burgerlijke staat die vanzelfsprekend van meteen aan begin als machtsapparaat van de bourgeoisie sociaalreactionair was. Toch de absolute machtaanmatiging van monarchen richtte zich niet alleen tegen de oude adel maar ook tegen de groeiende bourgeoisie. Daarom moest absolutisme als een overgangsfase tussen feodalisme en het kapitalisme overwonnen worden – door burgerlijke staatsvormen als constitutionele een dergelijke van de overheid (dwz, parlementairs controlerend) monarchie, democratische republiek of een militaire dictatuur. De eerste burgerlijke staatvormen werden door de Nederlandse en Engels bourgeoisie veroverd, waardoor zij de politieke voorwaarden voor de economische ontwikkeling van het kapitalisme schiepen. (more…)

In ons laatste artikel willen we ingaan op de aard, de rol en de functies van de vakbonden als de co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Vooral hebben we ons gericht op de activiteiten van de Vereniging van Duitse vakbonden (DGB) en zijn conflict met de individuele sectorale vakbonden buiten de DGB. In dit artikel hebben we ook bekeken een voorbeeld van het zogenaamde vakbondimperialisme naar het voorbeeld van de activiteiten van internationale niet-gouvernementele organisaties (INGO’s) in Bangladesh, die nauw met Amerikaanse vakbondvereniging (AFL-CIO) verbonden zijn en worden door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gefinancierd.

De burgerlijke staat in de klassenstrijd is in principe het machtapparaat van de bourgeoisie tegen het proletariaat. Ten eerste ageerde de bourgeoisie principieel illegaliserend en criminaliserend tegen de proletarische klassenstrijd en de vakbonden maar het gaf alleen de verdere radicalisering van het proletariaat. In een klassenmaatschappij waarin de sociaal heersende klasse de uitgebuite klasse uitbuit, kan de strijd van de laatste tegen de eerste niet succesvol verboden worden. Dat leerde ook de bourgeoisie in een lang sociaal leerproces. Door een democratisch strijkrecht die het monopolie van de werkonderbreking in de handen van de burgerlijk-bureaucratische vakbondsapparaten ligt, precies bepaalt, wanneer gestaakt mag worden en wanneer niet, is de klassenstrijd veel succesvoller in te dammen dan door een algeheel verbod.

Door de staat verleende recht op vrije loonvorming worden de grote vakbondapparaten co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Zo stellen in Duitsland de DGB en enkele andere vakbonden door collectieve arbeidsovereenkomsten de arbeidstijden, lonen en andere arbeidsvoorwaarden van het proletariaat vast. Het ideaal van deze sociale partnerschap tussen economische bazen en vakbondbazen is om al eens aan de onderhandelingstafel te worden, zodat stakingen niet nodig zijn. Komen de sociale partners toch niet overeen, dan wordt een “tariefuiteenzetting”, d.w.z. wordt de democratisch gecastreerde en vakbondsbureaucratische klassenstrijd vernederd, onvermijdelijk.

Voor een tariefuiteenzetting kan in Duitsland door de bevoegde vakbond doorgaans een stemming uitgevoerd worden. Minstens 75% van alle vakbondsleden moeten voor een werkonderbreking stemmen, dan wordt het werkelijkheid. Maar dat is een facultatieve bepaling, de vakbondapparaten kunnen ook volledig willekeurig staking beslissen en net zo willekeurig beëindigen zoals de diensten vakbond ver.di tijdens de poststaking in Duitsland in 2015 deed. Tijdens een vakbondsuitgevoerde staking heeft zowel de vakbondsbureaucratie een instrumentale verhouding met “hun” proletarische basis als andersom. Die fulltime vakbondbazen hoeven zelf niet door hen onderhandelde tarieven leven, voor hen is belangrijk dat een overeenkomst afgesloten wordt, waardoor ze co-managers van de kapitalistische uitbuiting worden. Voor de arbeidersklasse basis is de tariefuiteenzetting de enige legale manier om te staken. Vakbondsleden krijgen tijdens de werkonderbreking van de apparaten stakinggeld, waardoor het monopolie van de vakbondbazen over de proletarische klassenstrijd nog versterkt wordt. (more…)