Sterke en zwakke punten van Cajo Brendel

Posted: February 2, 2016 in reproductieve klassenstrijd
Tags: ,

In het tweede artikel over Cajo Brendel willen we vooral aandacht geven aan zijn analyse van de Russische revolutie en aan de dictatuur van het proletariaat. Daarnaast hebben we ook bekritiseerd de positie van het marxisme en leninisme over de kwestie van de dictatuur van het proletariaat en presenteerden wij ons begrip van dit belangrijke concept. In aanvulling bekritiseren wij ook in  dit artikel, de overdrijving van de rol van spontaniteit en klasseninstinct van het proletariaat in de klassenstrijd, vaak gebruikelijk bij Cajo Brendel. Bovendien presenteerden wij onze visie op de dialectische relatie tussen de klassenstrijd, klassenbewustzijn en sociaalrevolutionaire groepen.

Cajo Brendel bleef in de radencommunistische traditie doordat hij de “socialistische landen” duidelijk staatskapitalistisch analyseerde. Hij hield zich vooral met de machtsstrijd tussen de ideologisch-politiek gedomineerde partij/staatsbureaucratie en de bedrijfsbureaucratische technocraten/managers. Maar het feit, dat de maatschappelijke belangen en psychologische behoeften van technocraten ook verbonden met de omvorming van het staatskapitalisme privékapitalisme waren, dat wil zeggen herstructurering(perestrojka), erkende Cajo relatief laat. Hier had hij een kritische koppeling van Trotski`s ideologie kunnen helpen die ondanks zijn ruwe ideologie van de Sovjet-Unie als “bureaucratisch gedegenereerde arbeidersstaat” die mogelijkheid van Gorbatsjov perestrojka voorzag.

Ook hebben we niet volledig eens met de analyse van Russische Revolutie van Cajo, waar hij naar onze mening te schematisch de verhouding tussen de ontwikkeling van de productiekrachten en de proletarische zelforganisatie van 1917-1921 ziet. Cajo herkende niet in volle omvang dat de prerevolutionaire Rusland weliswaar overwegend een agrarisch land was maar in de agrarische zee waren hoog ontwikkelde kapitalistische eilanden en het Russische proletariaat arbeidde in de meest moderne grootschalige bedrijven van die tijd. De reflectie van dit feit had hij als een consequente bolsjewisme-criticus van Trotski kunnen overnemen. Natuurlijk werd uiteindelijk de nederlaag van het Russische proletariaat tegen de staatskapitalistische reactie door het lage niveau van de productieve krachten en qua aantal zwakheid van de arbeid(st)ersklasse bepaald, maar dat rechtvaardigt niet het schematisme van Cajo. Zo kenmerkte hij sterk schematisch de antifeodaal-antiprivatekapitalistische revolutie en haar transformatie in de staatskapitalistische contrarevolutie als “burgerlijke revolutie” en vergeleek ze steeds opnieuw met de Grote Franse Revolutie van 1789-1799, zonder het grote verschil tussen de beide revoluties in de hele omvang te bevatten: In de Russische Revolutie 1917-1921 waren er in tegenstelling tot Frankrijk tijdens zijn Grote Revolutie arbeidersraden als zelforganisatie van het weliswaar qua aantal zwaak maar buitengewoon militante Russische proletariaat. Ook de staatskapitalistische contrarevolutie de bolsjewieken verklaarde Cajo niet in de eerste plaats met het feit dat het bolsjewisme een kleinburgerlijk-intellectuele stroming was, die zich door de verovering van de macht in een staatskapitalistisch-sociaalreactionaire stroming omzette maar overwegend uit de economische onderontwikkeling van Sovjet-Rusland. Laatste kan maar alleen de overwinning van het bolsjewisme tegen de Kronstadt matrozen in 1921 verklaren, maar niet hun contrarevolutionaire sociale karakter, die zich van de burgerlijke karakter naar de bolsjewistische partij verklaart.

Cajo Brendel bleef ook een compromisloze criticus van de leninistische ideologie, maar zijn kritiek bleef binnen “marxisme” en bestond gedeeltelijk uit ideologische dogma’s. Zelfs de “marxistische antileninisme” van Cajo Brendel had de neiging te ontkennen of bagatelliseren van de staatskapitalistische-reactionaire elementen van de marxistische theorie.

In tegenstelling tot de sociaaldemocratische en “communistische” partijen en sekten, die deelnamen aan de verkiezingen, was Cayo Brendel een consistente criticus van het parlementarisme en hij was niet klaar als 99,9 procent van de antifascisten, om de democratie tegen de nazi`s te verdedigen, hoewel hij natuurlijk de noodzaak van een consistente strijd tegen neofascisme erkende. Zo zei hij in een interview met kameraad Rode Duivel over de neofascistische gevaar en bestrijding: “Met het heroplevende fascisme, is het natuurlijk zo besteld, dat het in diverse landen niet altijd helemaal hetzelfde karakter of dezelfde oorzaken heeft. Maar welke vorm dan ook het heeft of welke oorzaken dan ook het heeft, moet hij worden bestreden. Maar met een bestrijding uit naam van de burgerlijke democratie wil ik niets te maken hebben”. (Hüte Dich vor jedem Mythos! Interview 1999, in:  Cajo Brendel, Die Revolution ist keine Parteisache, a.a.O., S. 290.)

Het is duidelijk dat de strijd tegen het fascisme Cajo door de militante klassenstrijd van het proletariaat ondersteunde, d.w.z. door de dictatuur van het proletariaat. Het laatste begrip, weigerde hij echter. Hij verving hem aan met termen als “arbeidersdemocratie” of “proletarische democratie”. Beide termen zijn inhoudelijk vaag. Democratie betekent volksheerschappij de moderne kapitalistische democratie verbergt en verhult achter de ideologische “volksheerschappij” de dictatuur van het kapitaal. De klassenneutrale term “volksheerschappij” moet de klassen heerschappij van de bourgeoisie verduisteren. De termen “arbeidersdemocratie” (d.w.z. volksheerschappij) of “proletarische democratie” worden gekenmerkt door de logische tegenspraak dat ze de klassenneutraal begrip volksheerschappij met de klassendictatuur van het proletariaat fuseren. De termen “proletarische democratie” of “arbeidersdemocratie” drukken, in het beste geval, alleen veel meer vaag dat uit. “Proletarische dictatuur” klinkt beter en nauwkeuriger. Duidelijk de staatskapitalistische dictatuur verbergt zich achter de ideologische “dictatuur van het proletariaat”, deze term werd dus voor het tegenovergestelde misbruikt. Maar de echte democratie is net zo een structurele klasse vijand van het proletariaat als alle andere vormen van democratie. Wij achten het verkeerd om het begrip democratie te gebruiken en ideologisch daarmee tegen het kapitalisme te willen vechten. Dit verzwakt alleen maar de consequente en compromisloze revolutionaire strijd tegen de echte democratie als een dictatuur van het kapitaal. Het radencommunisme van de jaren 20 stelde duidelijk de bolsjewistische partij dictatuur, de dictatuur van het proletariaat tegenover. Dat Cajo Brendel, daarvoor overging in plaats van de proletarische dictatuur van de “arbeidersdemocratie” of van de “proletarische democratie” te schrijven en te praten, beschouwen we voor een fout.

Cajo Brendel schreef over de proletarische dictatuur: “De dictatuur van de klasse, die op dit punt op een duidelijke manier de partijdictatuur tegenovergesteld wordt, is natuurlijk de beroemde dictatuur van het proletariaat. De term lijkt het waarschijnlijk misverstanden te veroorzaken. Om deze reden is de auteur van deze lijnen geeft de voorkeur aan dit concept niet te gebruiken. Naar zijn mening is de toepassing van het concept van Marx en Engels om historische redenen fraai duidelijk, maar toch van de marxistische standpunt enige twijfel te ontstaan. Wij gaan dus niet erover hebben. Er moet echter opgemerkt worden dat de leninistische begrip van de dictatuur van het proletariaat  niets te maken heeft met die van Marx en Engels.

Bij Lenin is de dictatuur van het proletariaat een speciale repressieve kracht van het proletariaat, die tot het repressief geweld van de bourgeoisie kwam te vervangen. In de marxistische opvatting zal de proletarische revolutie het repressief geweld van de bourgeoisie verslaan d.w.z. de staat vernietigen! Dit sterf dan af, want onder de nieuwe sociale omstandigheden, het vereist geen repressie meer. Zo schrijft Marx in zijn polemiek tegen Proudhon: ‘Zal er na de val van de oude maatschappij een nieuwe klassenheerschappij zijn die een nieuwe politieke geweld culmineert? Nee.’ (Das Elend der Philosophie, MEW, Bd. 4, S. 181).“ (Cajo Brendel, N. Lenin als Stratege der bürgerlichen Revolution, in: Dezelfde, Die Revolution ist keine Parteisache, a.a.O., S. 193.)

Wij vinden dat we niet het idee van de dictatuur van het proletariaat moeten bekritiseren, maar wat Marx en Engels daaronder begrepen, namelijk de staatsvorm van de overheid tijdens de overgangsperiode tussen kapitalisme en communisme. Vanuit ons oogpunt is de proletarische dictatuur uiteraard geen staatsvorm maar de gewelddadige en gedwongen vernietiging van alle staten die processueel in een klassenloze en statenloze maatschappij overheen gaat. Zoals we hebben gezien ontkent Cajo Brendel het feit dat zowel voor Marx en als Lenin de proletarische dictatuur een staatsvorm was. Hier hebben we een duidelijk ideologisch karakter van “marxistische antileninisme”, die  Cajo Brendel vertegenwoordigt. Natuurlijk, dit citaat van Marx dat Cajo aanvoert, staat in een bepaalde tegenspraak tegen de marxistische opvatting van de proletarische dictatuur als een staatsvorm. Toch kwam dit citaat uit een veel vroegere tijd dan de marxistische uitvoering van de dictatuur van het proletariaat als een staatsvorm. Ja, de tegenspraak tussen de revolutionaire en reactionaire tendensen bij Marx was groter dan die tussen Marx en Lenin bij de karakterisering van de proletarische dictatuur. Vooral de theorie van Marx en Engels over het afsterven van de staat is vol van tegenstrijdigheden.  Het belangrijkste onderscheid tussen Marx en Lenin m.b.t. de proletarische dictatuur dat Marx een theoretisch fout beging, terwijl Lenin in de praktijk een staatskapitalistische partijdictatuur uitoefende, die maar ideologisch als “dictatuur van het proletariaat” noemde, waarmee hij zichzelf de wereldproletariaat misleidde.

Cajo Brendel, die zich tijd zijn intellectuele teweegbrenging in de paden van Rühle en Pannekoek bewoog, hield daarin vast, dat de partij- en vakbond organisatie onverenigbaar met de proletarische zelforganisatie in de klassenstrijd was – in tegenstelling tot Paul Mattick, wiens afbakening op partijmarxisme en anarchosyndicalisme na de Tweede Wereldoorlog niet zo duidelijk en ondubbelzinnig was, en daarmee ver achter Otto Rühle terugviel. Echter viel ook Cajo Brendel achter de positie van Rühle en de GIK(Gruppe internationaler kommunisten) terug, ondertussen hij de betekenis van bewuste revolutionaire proletarische minderheden en die van hen georganiseerde groepen altijd minder belang toekende.

Otto Rühle was tijdens de revolutionaire naoorlogse crisis een belangrijke theoreticus van de sociaalrevolutionair unionisme – eerst binnen de AAUD en vervolgens de AAUE. Voor Cajo Brendel, de revolutionaire klassenstrijd organisaties, waarin Otto Rühle actief was, waren alleenmaar “kunstmatige entiteiten”. Hij schreef: “Rühle besteedt veel van zijn krachten een activiteit die men als de kunstmatige constructie van organisaties kon beschrijven…” (Cajo Brendel, Anton Pannekoek. Denker der Revolution, ca ira, Freiburg 2001, p. 112). De arbeiders-unionen waren geen kunstmatige organisaties. Ze waren revolutionaire klassenstrijd organisaties die tijdens de revolutionaire naoorlogse crisis voorkwamen. Zij waren vurige kinderen van de revolutie! Tuurlijk waren zij vergeten met de crisis mee. In de periode van relatieve stabilisatie van het Duitse kapitalisme (1924-1929) en in de wereldwijde economische crisis, die door de nazi’s volksreactionair werd opgelost, was geen plaats voor de revolutionaire klassenstrijd organisaties. De unionisme moest van een revolutionaire klassenstrijd organisatie naar een sociaal revolutionaire groep in niet-revolutionaire tijden worden getransformeerd. Op deze noodzakelijke transformatie nam Otto Rühle niet meer deel. Die, wat Cajo Brendel “als de kunstmatige constructie van organisaties” noemde, is in werkelijkheid de noodzakelijke zelforganisatie van proletarische en intellectuele sociaalrevolutionairen, waarvan hij het belang voor een zegevierende sociale revolutie onderschatte.

Deze onderschatting van bewuste sociaalrevolutionaire organisatie was bij Cajo Brendel met een grote nadruk op spontaniteit en klasseninstinct verbonden. Zo zei hij in de eerder genoemde interview dat Red Devil hem voerde, over de proletarische massabewegingen zoals wilde stakingen: “Autonoom is een massabeweging, die niet – van wie of wat dan ook – werd bijeengeroepen. Dat ontstaat spontaan uit de sociale en politieke situatie” (Red Devil, Die Kronstadt-Rebellion. Alle Macht den Sowjets, nicht den Parteien!, Bibliothek des Widerstandes). We benadrukken het belang van zowel de spontaniteit en het klasseninstinct, vooral in het begin van de opkomst van zelfgeorganiseerde klassenstrijd, evenals hun beperkingen. Een massastaking hoeft niet spontaan te zijn, om de volledige kracht van de proletarische zelforganisatie te ontplooien. Natuurlijk als “economische” of “politieke” stakingen door de vakbonden oftewel politieke partijen “gevoerd” worden, dan is de proletarische zelforganisatie vanaf het begin is min of meer gedeformeerd. Maar wanneer een staking van een revolutionaire klassenstrijd organisatie bewust georganiseerd wordt, dan moet er geen afbreuk van de zelfgeorganiseerde klassenstrijd van het proletariaat zijn. Integendeel, kan het een kwalitatief hoger ontwikkelde vorm van proletarische zelforganisatie voorstellen. Maar voor dergelijke inzichten was Cajo Brendel grotendeels blind. Hij zat in plaats daarvan proletarische zelforganisatie en spontaniteit steeds sterker gelijk.

Net als de spontaniteit van Cajo Brendel ideologisch werd overdreven gebeurd het ook met het klasseninstinct. Het klasseninstinct speelt als het collectief voorbewust buikgevoel van het klassenstrijdig proletariaat aan het begin enorm belang van klassenbotsing. In hen zijn maar soms proletarische revolutionairen actief, die een relatief duidelijk klassenbewustzijn ontwikkeld hebben. Door middel van interactieve communicatie met uw collega`s en klassengebroeders kunnen en moeten proletarische revolutionairen aan de radicalisering van klassenbewustzijn bijdragen. Deze mogelijkheid die verhoogd klassenbewustzijn ook tot een intensivering van de klassenstrijd leiden kunnen, bleef redelijk verborgen bij Cajo. Hij benadrukte strek in plaats daarvan ook zeer belangrijke feit dat de klassenstrijd slechts tot een klassenbewustzijn leidt voorbij. Bij Cajo Brendel ging zo das de dialectische verhouding tussen klassenstrijd en klassenbewustzijn grotendeels verloren. Natuurlijk, de meeste proletarische activisten zullen eerst, nadat ze een staking gevoerd hebben, zich ook theoretisch sterker met de klassenstrijd bezighouden. De klassenstrijd leidt tot een groeiend klassenbewustzijn en het groeiend klassenbewustzijn kan op zijn beurt tot een intensivering van de klassenstrijd leiden.

Botweg geformuleerd: instinctief en spontaan kan het proletariaat in een wilde staking voor hogere lonen komen maar alleen geleid door kristalhelder klassenbewustzijn en goed georganiseerd kan het kapitalisme omverwerpen en daarmee zelf revolutionair afschaffen. Tussen de wilde staking voor hogere lonen en de mogelijke revolutionaire zelfafschaffing van het proletariaat, liegt de praktische school van de klassenstrijd, door het zijn en bewustzijn elkaar wederzijds beïnvloeden en versterken. Van deze dialectiek was bij Cajo Brendel niet veel te merken. Soms onderschatte hij het belang van het klassenbewustzijn van de klassenstrijd gewoon grotesk. Zo schreef hij over de Kronstadt-Congres, dat in 1971 in West-Berlijn plaatsvond en ook zijn uitstekende voordracht Kronstadt – proletarische nazaat van de Russische Revolutie hield, over een discussies met hen: “Het ging om de vraag wat met spontane actie van de arbeiders eigenlijk werd bedoeld, en ook om, hoe belangrijk is, wat de arbeiders denken en wat zij in hun hoofd hebben tijdens de zelfactie. De vertegenwoordiger van de groep Daad en Gedachte (Cajo Brendel) beantwoordde deze belangrijke vraag ontkennend. Hij verklaarde dat naar zijn mening het niet erom gaat wat de arbeiders denken, maar het gaat om, wat ze zijn, vanwege hun positie in de maatschappij”. (Cajo Brendel, Ein schlechter „Kongress“, eine interessante Diskussion a.a.O., S.  147),(Een slechte “congres”, een interessante discussie).

De overschatting van het belang van de klasse instinct en spontaniteit en de daaruit voortvloeiende onderschatting van de bewuste revolutionaire organisatie was de grootste theoretische zwakte van Cajo Brendel. Deze theoretische fout van Cajo kan niet door de presentatie van objectieve omstandigheden gerechtvaardigd worden, maar wel uitgelegd. De belangrijkste objectieve omstandigheid, die Cajo`s aanzienlijke theoretische ignorantie tegen de laag van de bewuste sociaalrevolutionaire arbeiders kan uitleggen, is dat, dat deze laag in de loop van de theoretische activiteit van de radencommunisten steeds meer samensmolt. Haar hoogste punt, de naoorlogse revolutionaire crisis na de Eerste Wereldoorlog heeft Cajo hellemaal niet bewust meegemaakt. Echter, had de radencommunistische beweging in de jaren 1930 – op dat moment, toen Cajo zich aansloot – hoewel een dunne, maar toch ontkennende proletarische basis, die ook door Cajo sterk werd beïnvloed. Maar dit arbeidersklasse basis van de radencommunisme smolt steeds sterker daarin. Ook Cajo Brendel`s werking verspreidde zich meer en meer tot de kleinburgerlijke intellectuelen. Maar de radencommunisme was sociaal psychologisch onverenigbaar met de mainstream- bewustzijn van de kleinburgerlijke intellectuelen, maar hij was nauwelijks in staat arbeiders mentaal te beïnvloeden. Het gevolg van deze praktische stagnatie was de mentale neergang van de radencommunisme.

Helaas begon de radencommunisme theoretici daarmee van de nood een deugd te maken doordat hij het belang van een bewuste proletarische revolutionairen steeds sterker verminderde. Zo kwam hij in zijn theorie tegen een verabsolutering van spontaniteit en klasseninstinct. We benadrukken ook dat de objectieve ellende van het proletariaat in de warenkarakter van de producten, die het nodig heeft om te leven, en in de kapitaalkarakter van de productiemiddelen, waarmee het proletariaat het levensonderhoud voor de kapitalistische klasse produceert. Deze objectieve nood dwingt de wereldwijde arbeidersklasse in de dagelijkse klassenstrijd nog grotendeels instinctief en voorbewust door middel van individuele en/of collectieve eigeningsacties van de warenkarakter van de producten en de kapitaalkarakter van de productiemiddelen tendentieel af te schaffen. Wij benadrukken ook deze revolutionaire tendentie van de dagelijkse reproductieve klassenstrijd en daarmee in een dialectische verhouding van wisselwerking klasseninstinct. Weliswaar benadrukken we ook in tegenstelling tot Cajo Brendel dat de sociale revolutie nooit spontaan en instinctief kan zegevieren. De revolutionaire arbeiders moeten in de sociale revolutie van kleine groepen een machtige materiële kracht worden die de deur naar klassenloze maatschappij bewust en georganiseerd openstoten en alle hindernissen op deze weg opzij te duwen.

De kleinburgerlijke linksen zijn een van deze belemmeringen bij het ontstaan van een laag van bewuste proletarische revolutionairen. Sommige subjectief sociale revolutionaire proletariërs bewegen zich, bij gebrek aan een duidelijke visie, op de rand van de kleinburgerlijke linksen. De bewuste scheiding van proletarische revolutionairen en de weinige echt sociale revolutionaire intellectuelen van kleinburgerlijke intellectuele radicalisme is een hoofddoel voor het werken van de revolutionaire krachten in de nabije toekomst. De Nederlandse radencommunisme en Cajo Brendel konden deze taak niet hellemaal aan omdat ze überhaupt niet van bewust waren. Natuurlijk, wie het belang van bewust handelende revolutionaire arbeiders daadwerkelijk naar nul vermindert, voor hun bestaat ook niet de taak van de bewuste ontwikkeling van sociale revolutionaire minderheden in niet-revolutionaire tijden als een belangrijke voorbereiding voor de mogelijke sociale revolutie. Daardoor verloor weliswaar theoretische activiteit van Cajo Brendel een belangrijk kompas.

De grote nadruk op spontaniteit en klasseninstinct en bagatelliseren het belang van bewust-revolutionaire minderheden van het proletariaat was ook verantwoordelijk voor een andere fout van Cajo: Hij benadrukte de gezamenlijke overname van de productiemiddelen door de arbeidersklasse als de essentie van de sociale revolutie. Soms vergat hij het belang van de overwinning van de kapitalistische warenproductie en de staat te benadrukken. Dat bracht hem gedeeltelijk in de gevaarlijke nabijheid van de anarcho-syndicalistische “zelfbestuur ideologie” – de ideologisering van de kleinburgerlijk-collectieve “zelfbestuur” binnen de warenproductie en de staat.

We willen graag Cajo citeren, waar hij deze fout beging. Zo zei hij in een interview met de “junge Welt” op de vraag “Kunt u de raadcommunistische inzicht m.b.t. werk en lonen tussen en product kort schetsen?”, Onder andere: “Zolang de waarde bij de uitwisseling van goederen erop gebaseerd is dat de arbeidskracht van elk individu meer waarde creëert, hebben we onvermijdelijk uitbuiting. Daarop gebaseerd is de hele kapitalistische economie. Voor een socialisme moeten heel andere rekeningen bij de goederenruil plaatsvinden. (Opmerking: Een zeer dubbelzinnige formulering. Toen Cajo zei dat aan het begin van de klassen- en staatloze maatschappij, die hij het socialisme noemt, er nog goederen en nog de (goederen)ruil zijn, naar onze mening is fout.  De periode van de klassen- en staatloze maatschappij kan pas beginnen als de mogelijke revolutionaire zelfafschaffing van het proletariaat de warenproductie beëindigd heeft). Wanneer dat zal zijn, kan ik niet zeggen. En hoe nauwkeurig, daarover kan men ook geen verzinselen maken. Ik weet alleen waar ergens vechtende arbeiders over een bepaalde grens gaan, en dat is dan altijd de grens van hun eigen voorstellingen, verandert het machtsevenwicht. Ooit is men gedwongen de stap naar arbeidersraden te doen omdat bepaalde taken opgelost moeten worden. Ooit moet het verkeer geregeld worden. Dan vangt men aan de maatschappij te veranderen. In tegenstelling tot Lenin, die zei: zonder theorie geen revolutionaire praktijk, zeggen we, elke theorie is de abstractie of samenvatting van wat er gebeurt in de werkelijkheid” („Den Leuten den Spiegel vorhalten“, Junge Welt 6 november 1998).

Cajo Brendel generaliseerde hier ten onrechte de arbeidersraden dat de concrete uitdrukking van de proletarische zelforganisatie tijdens de Europese revolutionaire naoorlogse crisis (1917-1923) waren. Hij zou beter kunnen zeggen: “Vanaf een bepaald niveau van zelfgeorganiseerde klassenstrijd is het proletariaat gedwongen door de objectieve noodzaak organen van de proletarische zelforganisatie te creëren. In het verleden waren, bijvoorbeeld, de arbeidersraden. Welke concrete vormen de toekomstige proletarische zelforganisatie in de klassenstrijd zal voortbrengen, kan nog niet worden voorspeld. Maar met behulp van een algemene theorie, die natuurlijk in de sociale revolutie geconcretiseerd moet worden, kunnen sociale revolutionairen de mogelijke vernietiging van het kapitalisme voorbereiden. Zonder revolutionaire praktijk geen revolutionaire theorie en zonder revolutionaire theorie geen revolutionaire praktijk. “De laatste zin vat ook de dialectische wisselwerking van de revolutionaire theorie en praktijk samen, die zowel Lenin als Cajo Brendel slechts mechanisch verkort tot uitdrukking brachten. Bij Cajo Brendel was de theorie altijd slechts een weerspiegeling van het materieel geweld, dat een revolutionaire theorie, die de objectieve noodzaken van materiële werkelijkheid duidelijk tot uitdrukking brengt, onder gunstige voorwaarden zelf een materieel geweld van sociale veranderingen kan worden, werd door hem nauwelijks gereflecteerd. En voor Lenin was “revolutionaire praktijk” niet de praktijk van zelfgeorganiseerde proletariaat, maar de partij actie, die in gunstig geval eerste op het proletariaat leunt, om het aan de leiband te leiden en “revolutionaire theorie” de ideologie rechtvaardiging van partijbureaucratie.

Cajo Brendel leninisme-kritiek leed aan zijn gebrek aan dialectische inzicht van het revolutionair proces. Zo vergat Cajo Brendel in het bovenstaande citaat het belangrijkste aspect van de sociale revolutie: de klassenstrijdige en zelfgeorganiseerde proletariaat is in een revolutionaire situatie op een bepaald punt gedwongen de kapitalistische warenproductie, de staat en daarmee zichzelf revolutionair af te schaffen. Wij benadrukken in tegenstelling tot de neergang van radencommunisme, dat het wezen van de sociale revolutie de collectieve overname van productiemiddelen en de vernietiging van de staat door het proletariaat is, die zichzelf door dit proces afschaft en in een klassenloze maatschappij van vrije producenten omwisselt. Om niet in de val van de “zelfbeheerde” kleinburgerlijk-collectieve warenproductie te tasten, volstaan spontaniteit en klasseninstinct niet, dit is een bewuste materialistische en revolutionaire kritiek op warenproductie en de staat vereist, die in de revolutie een materieel geweld kan en moet worden.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s