Archive for February, 2016

We beginnen met een serie artikelen onder de titel “De politieke klassenstrijd van boven”. In het eerste artikel willen we ingaan op de organisatie van de uitbuiting van het proletariaat in het productieproces, zijn rol en zijn plek in dit proces en in de kapitaalvermeerdering. Bovendien, in het artikel is er kritiek van productieve en onproductieve ellende van het proletariaat, evenals analyse van de conservatiefreactionaire en progressierevolutionaire tendensen in de klassenstrijd.

Het wereldkapitalisme bestaat uit vele nationaalkapitalen (het maatschappelijk gezamenlijk kapitaal van een natie), die op hun beurt uit enkele kapitalen bestaan. Het kapitaal bestaat zowel uit dingen – productiemiddelen als zakelijk productief kapitaal, de geproduceerde goederen als het wereldkapitaal en uit het geldkapitaal kapitaalgoederen – evenals uit de mensen, namelijk de bourgeoisie als de klas van de eigenar(ess)en en beheerd(st)ers(managers)van de productiemiddelen, goederen en het geld. Kapitaal is zich vermeerderende geld. Kapitalistische warenproductie betekent, dat alleen nuttig of minder nuttig en zelfs dodelijke producten zoals wapens alleen worden geproduceerd, om met de verkoop van deze producten het geld te vermeerderen. Aan het einde van de productie moet meer geld uitkomen dan deze heeft gekost.

Kapitalistisch zijn dus die individuen en instellingen (partijen, kerken, vakbonden, staten, enz.) het geld, goederen en productiemiddelen bezetten, om daarmee een ​​productieve activiteit te organiseren, die uiteindelijk de operatie het geld van de eigenaar(ess)en vermeerdert. In het huidig globaal kapitalisme prevaleert het privaatbezit van productiemiddelen. De institutionele eigendom, zoals de staatseigendom van productiemiddelen, geeft zich soms niet direct als kapitalistisch te herkennen en sluipt onder een socialistische masker. Echter de zogenaamde “socialistische landen”, zoals de Sovjet-Unie, DDR(Oost-Duitsland), enz. bezatten de productiemiddelen, goederen en geld, waarmee warenproductie organiseerden en het proletariaat uitbuitten net als in privaatkapitalisme. De zogenaamde Oostblok was dus staatskapitalistisch. Hoewel de partij- en staat bureaucraten niet persoonlijk bij het kapitaal horden, horden zij bij de staat als institutionele eigendom, waren de “communistische” politbazen de manager(es)s van het staatskapitalisme.

De particulieren en instellingen die geld, goederen en productiemiddelen bezitten kunnen dit kapitaal vermenigvuldigen laten door het huren de productiemiddelloze mensen (het proletariaat). Het productiemiddelvrij proletariaat bestaat soms uit vrije persoonlijkheden en soms uit minder vrije, die hun arbeidskracht aan de kapitalistische privaateigenar(ess)en en instellingen moeten verhuren want ze hebben het geld nodig, want alle noodzakelijke goederen kosten geld in het kapitalisme. De proletariërs verhuren zo hun arbeidkracht aan het kapitaal om te kunnen overleven. (more…)

In ons laatste artikel over Cayo Brendel willen we nogmaals benadrukken het belang van de revolutionaire erfgoed, alsmede de kwestie van de bouw, de ontwikkeling en het voortbestaan van de sociaalrevolutionaire groepen te analyseren.

De onderschatting van het belang van sociaalrevolutionaire groepen in niet-revolutionaire tijden was grootste fout van Cajo Brendel. Hoewel hij in de sociaalrevolutionaire groepen actief was, rijst de vraag, hoe moeten redelijkerwijs zulke groepen opgebouwd en uitgebreid worden, als hun belang wordt onderschat? In de sociaalrevolutionaire groep waar de Cajo Brendel van zijn laatste jaren actief was, “Daad en Gedachte”, ontbond aan het eind de 1990 jaren. Met de ontbinding van de traditionele radencommunistische groep en de dood van Cajo Brendel in 2007 stierf de radencommunisme in Nederland als een georganiseerde sociale revolutionaire stroom diens de intellectuele en praktische neergang al vele jaren eerder begonnen was.

Cajos langjarige kameraad, de Franse revolutionaire denker en practicus Henri Simon reageerde op de neergang en het einde van “Daad en Gedachte”: “Er is een vraag die voor mij, in de afgelopen jaren na het eind van de “Daad en Gedachte” als groep en als een tijdschrift, interessant was. Zeker, de meeste van hen, die het project had gesteund, waren gestorven. Maar “Daad en Gedachte” had een aantal jongere kameraden bijgetrokken, die toch niet erom wilden zorgen, om het werk van Cajo te laten voortzetten. Mogelijkerwijs had de ontbinding van de groep ook ermee te maken dat Cajo met zijn dominante intellectuele positie ongewild hen enthousiasme in de kiem verstikte, die estafette zouden kunnen overnemen. In zekere zin is het misschien ook een gevolg ervan dat het kapitalisme zich verder ontwikkeld heeft en daarmee de ideeën van de jongeren.

Eerlijk gezegd, heb ik geen echte antwoord op deze vraag. Maar wat ik weet, dat een grote deel van Cajo`s schriften zijn betekenis heeft behouden voor ons nadenken over de wereld van vandaag en actuele strijden – zelfs vanuit het perspectief van vandaag ten aanzien van hen komen veel vragen en polemieken voor. Ze blijven de sleutel tot het begrijpen van gebeurtenissen uit het verleden en de patronen zijn methodisch-analytische benadering van deze vraag.” (Henri Simon, Cajo Brendel – Persönliche Erinnerungen , in: Cajo Brendel Die Revolution ist keine Parteisache, a.a.O., blz. 32.).

Voor deze verklaringen van Henri Simon willen we ook onze zegje doen: De dominantie van Cajo Brendel binnen “Daad en Gedachte” was uitdrukking van de neergang van de traditionele radencommunisme. Levendige sociaalrevolutionaire stromen moeten in staat zijn hen collectieve theorievorming te ontwikkelen. Een sociaal revolutionaire stroom, die niet meer te reproduceren weet na de biologische neergang en de dood van een toonaangevend theoreticus, niet levensvatbaar is. Het eind van de “Daad en Gedachte” is daarom vanuit ons oogpunt een uitdrukking van de overleefheid van de traditionele radencommunisme. De progressieve en theoretisch vruchtbare tendensen van het levenswerk van Cajo Brendel kunnen niet meer in de traditioneel-radencommunistische vorm verder leven, maar ze moeten en zullen het in de sociaalrevolutionaire stromen van het heden en de toekomst – onder andere ook door ons postanarchistische en postmarxistische communisten, een stroom van sociaalrevolutionaire arbeiders, werklozen en studenten die zich ook met zijn hulp van de kleinburgerlijke politiek losmaken en zich naar de mogelijke proletarische zelfafschaffing draaide.

In het tweede artikel over Cajo Brendel willen we vooral aandacht geven aan zijn analyse van de Russische revolutie en aan de dictatuur van het proletariaat. Daarnaast hebben we ook bekritiseerd de positie van het marxisme en leninisme over de kwestie van de dictatuur van het proletariaat en presenteerden wij ons begrip van dit belangrijke concept. In aanvulling bekritiseren wij ook in  dit artikel, de overdrijving van de rol van spontaniteit en klasseninstinct van het proletariaat in de klassenstrijd, vaak gebruikelijk bij Cajo Brendel. Bovendien presenteerden wij onze visie op de dialectische relatie tussen de klassenstrijd, klassenbewustzijn en sociaalrevolutionaire groepen.

Cajo Brendel bleef in de radencommunistische traditie doordat hij de “socialistische landen” duidelijk staatskapitalistisch analyseerde. Hij hield zich vooral met de machtsstrijd tussen de ideologisch-politiek gedomineerde partij/staatsbureaucratie en de bedrijfsbureaucratische technocraten/managers. Maar het feit, dat de maatschappelijke belangen en psychologische behoeften van technocraten ook verbonden met de omvorming van het staatskapitalisme privékapitalisme waren, dat wil zeggen herstructurering(perestrojka), erkende Cajo relatief laat. Hier had hij een kritische koppeling van Trotski`s ideologie kunnen helpen die ondanks zijn ruwe ideologie van de Sovjet-Unie als “bureaucratisch gedegenereerde arbeidersstaat” die mogelijkheid van Gorbatsjov perestrojka voorzag.

Ook hebben we niet volledig eens met de analyse van Russische Revolutie van Cajo, waar hij naar onze mening te schematisch de verhouding tussen de ontwikkeling van de productiekrachten en de proletarische zelforganisatie van 1917-1921 ziet. Cajo herkende niet in volle omvang dat de prerevolutionaire Rusland weliswaar overwegend een agrarisch land was maar in de agrarische zee waren hoog ontwikkelde kapitalistische eilanden en het Russische proletariaat arbeidde in de meest moderne grootschalige bedrijven van die tijd. De reflectie van dit feit had hij als een consequente bolsjewisme-criticus van Trotski kunnen overnemen. Natuurlijk werd uiteindelijk de nederlaag van het Russische proletariaat tegen de staatskapitalistische reactie door het lage niveau van de productieve krachten en qua aantal zwakheid van de arbeid(st)ersklasse bepaald, maar dat rechtvaardigt niet het schematisme van Cajo. Zo kenmerkte hij sterk schematisch de antifeodaal-antiprivatekapitalistische revolutie en haar transformatie in de staatskapitalistische contrarevolutie als “burgerlijke revolutie” en vergeleek ze steeds opnieuw met de Grote Franse Revolutie van 1789-1799, zonder het grote verschil tussen de beide revoluties in de hele omvang te bevatten: In de Russische Revolutie 1917-1921 waren er in tegenstelling tot Frankrijk tijdens zijn Grote Revolutie arbeidersraden als zelforganisatie van het weliswaar qua aantal zwaak maar buitengewoon militante Russische proletariaat. Ook de staatskapitalistische contrarevolutie de bolsjewieken verklaarde Cajo niet in de eerste plaats met het feit dat het bolsjewisme een kleinburgerlijk-intellectuele stroming was, die zich door de verovering van de macht in een staatskapitalistisch-sociaalreactionaire stroming omzette maar overwegend uit de economische onderontwikkeling van Sovjet-Rusland. Laatste kan maar alleen de overwinning van het bolsjewisme tegen de Kronstadt matrozen in 1921 verklaren, maar niet hun contrarevolutionaire sociale karakter, die zich van de burgerlijke karakter naar de bolsjewistische partij verklaart.

Cajo Brendel bleef ook een compromisloze criticus van de leninistische ideologie, maar zijn kritiek bleef binnen “marxisme” en bestond gedeeltelijk uit ideologische dogma’s. Zelfs de “marxistische antileninisme” van Cajo Brendel had de neiging te ontkennen of bagatelliseren van de staatskapitalistische-reactionaire elementen van de marxistische theorie.

In tegenstelling tot de sociaaldemocratische en “communistische” partijen en sekten, die deelnamen aan de verkiezingen, was Cayo Brendel een consistente criticus van het parlementarisme en hij was niet klaar als 99,9 procent van de antifascisten, om de democratie tegen de nazi`s te verdedigen, hoewel hij natuurlijk de noodzaak van een consistente strijd tegen neofascisme erkende. Zo zei hij in een interview met kameraad Rode Duivel over de neofascistische gevaar en bestrijding: “Met het heroplevende fascisme, is het natuurlijk zo besteld, dat het in diverse landen niet altijd helemaal hetzelfde karakter of dezelfde oorzaken heeft. Maar welke vorm dan ook het heeft of welke oorzaken dan ook het heeft, moet hij worden bestreden. Maar met een bestrijding uit naam van de burgerlijke democratie wil ik niets te maken hebben”. (Hüte Dich vor jedem Mythos! Interview 1999, in:  Cajo Brendel, Die Revolution ist keine Parteisache, a.a.O., S. 290.) (more…)