Cajo Brendel (1915-2007), een sociaalrevolutionaire intellectueel

Posted: December 12, 2015 in bolsjewisme, sociaalrevolutionaire
Tags: , , , , , , ,

Op de honderdste verjaardag van Cajo Brendel beginnen we een serie artikelen over deze sociaalrevolutionaire theoreticus van radicale marxistische stroming radencommunisme. In het eerste deel verdiepen we in op de ontwikkeling en de wording van Cajo als sociaalrevolutionaire intellectueel, evenals analyseren wij de aard, de rol en de plaats van de kleinburgerlijke intelligentsia in het kapitalistische systeem en in de linkere beweging.

Cajo Brendel`s leerjaren

De allerlei kleinburgerlijke radicalen beschuldigen ons van intellectuelen vijandigheid. Een absurd verwijt! Een sociaalrevolutionaire intellectueel haat zelf intellectuelen want zijn privilege(volop bezig in de geestelijke werk) is gebaseerd op het feit dat miljoenen mensen in hun hele leven door gedwongen omstandigheden afstompende lichamelijk werk moeten doen. De brede scheiding van praktische productie van goederen en intellectuele productie van theorieën is uiteraard vervreemdend voor beide partijen. Deze scheiding maakt de lichaamsarbeid ongeestelijke en geestelijke arbeid onpraktisch.

Een sociaalrevolutionaire intellectueel is dus een intellectueel die geen intellectueel meer wil zijn, net zoals een sociaalrevolutionaire arbeider een arbeider is, die geen meer wil zijn. De meeste linkse intellectuelen zijn niet sociaalrevolutionair. Ze zijn intellectuelen die intellectuelen willen blijven. In de meeste gevallen dienen ze voor het kapitaal of ravotten in de marxistisch-leninistische sekten en sociaal-democratische partijen. De klassieke Bolsjewistische intellectueel is het grote voorbeeld van hedendaagse leninistische kleinburger want hij verheft zich over landbouwers, burgerij en de arbeidersklasse. Maar dit was mogelijk alleen in Rusland en in de Derde Wereld, omdat de kapitalisten en arbeiders sociaal zwakke klassen waren. In de democratische klassenmaatschappij in West-Europa, was van een zulke carrière van linkse intellectuelen natuurlijk geen sprake. Zo keerden vele marxistisch-leninistische “revolutionairen” berouwvol in de schoot van de democratie terug. Dit proces is nog versterkt door de daling van hun staat kapitalistische paradijzen.
101125603

Dit proces wordt verder geïntensiveerd na de dood van hun staatskapitalistische paradijs.

Vooral intellectuelen die hun geestelijke arbeid in dienst van de sociale revolutie willen stellen moeten zich van de kleinburgerlijke grootheidswaanzin(megalomanie) bevrijden, voor Kautsky en Lenin die passende ideologie hebben gebracht: De arbeiders komen niet zichzelf tot het revolutionaire bewustzijn, maar dat werd vun door de intellectuelen grootmoedig geschonken. We schreven hierover: “Het idee dat het klassenbewustzijn door het echte Klassenzijn voortgebracht wordt die loonafhankelijke mensen veel beter kunnen doorworstelen dan buiten de collectieve loonarbeid staande intellectuelen, snappen ze niet.

Deze intellectuele grootheidswaanzin wordt vaak met een kleinhartige proletkult verbonden. Net als proletarische revolutionairen moeten zich van kleinburgerlijke onderwerping bevrijden, het overwinnen van de proletarische cultus is absolute noodzaak. Zelfs de proletarische kult is kleinburgerlijke intellectuele afkomst – deze sociale laag projecteerde al hun dromen en verlangens in de arbeidersklasse om dit aan tuigje kleinburgerlijke politiek en ideologie “uit te voeren”.

Proletkult en kleinburgerlijke intellectuele grootheidswaanzin hoeven niet wederzijds uitsluiten. Een typische kleinburgerlijke intellectuele Leninist zal u in de 21e eeuw volgende vertellen: “In onze tijd, alleen de arbeidersklasse is een echte revolutionaire kracht. De bevrijding van de arbeidersklasse kan alleen het werk van de arbeiders zelf zijn. Maar zonder begeleiding door een marxistisch-leninistische partij, kunnen de arbeiders niet winnen.” En nu is het proletariaat onder begeleiding van kleinburgerlijke intellectuele politici. Maar het leninisme werd nu slechts door een kleine minderheid van de intellectuelen verdeeld.

Het onderwijs van de typische democratische kleinburgerlijke intellectuele bestaat grotendeels uit de hooghartigheid. Oh, wat een mentale overwicht voelt hij zich ten opzichte van de arbeiders die handarbeid doen! Maar toen de “stompe arbeiders” zich van hun geestelijke ongeschiktheid willen bevrijden, vinden onze kleinburgerlijke geestreuzen natuurlijk politiek niet correct. Vervolgens begint een grote schreeuw over intellectuele vijandigheid. Maar deze schreeuw bewijst slechts dat ze niets hebben begrepen. Van 1000 kleinburgerlijke intellectuelen is misschien wel een die echt met het intellectuele snobisme brak.

Een van de weinige echt sociaalrevolutionaire intellectuelen was Cajo Brendel (1915-2007). Vanuit zijn sociale afkomst was hij een burgerlijke intellectueel die door het levensomstandigheden zeer geproletariseerd werd en kwam in contact met de sociaalrevolutionaire arbeiders en intellectuelen en zich daarmee tot een sociaalrevolutionaire radencommunistische intellectueel ontwikkelde.

Dik en Geert van der Meulen schrijven over deze ontwikkeling van Cajo Brendel: “Cajo kwam uit de hogere middenklasse, een klasse die ik verafschuwde, zoals hij zelf zei. In zijn jeugd bezocht hij de respectieve scholen. Sinds 1935 studeerde hij enkele jaren Economie en hield hij zich bezig met maatschappijleer, geschiedenis en sociologie. Maar omdat hij geen geld had en moest gaan werken, kon Cajo zijn studies niet afmaken. ‘Ik heb niet afgestudeerd en kon ook niet afstuderen want ik wilde niet van de honger kwaken’, schreef hij in 27 maart 1938 aan zijn ouders. Maar er was een andere reden om niet te studeren: Cajo was op zoek naar de waarheid. In dezelfde brief schreef hij: ‘Zelfs in de kindertijd was ik weetgierig’. In dit verband citeerde hij Multatuli, de Nederlandse schrijvers van de 19e eeuw: een gratis onderwijs is de onbeperkte verlangen naar waarheid’- maar in de studie bij de Universiteit fond Cajo de waarheid niet.

Armoede speelde een grote rol in zijn leven. In de jaren dertig ondervond Nederland de zogenaamde crisisjaren. Veel mensen konden geen werk vinden, Cajo verging het iets anders. Toen probeerde hij in verschillende kleine en korttermijn banen, zoals zeep en thee leveranciers – alle werken die niet genoeg om te overleven waren. Onder zijn gearchiveerde documenten bevinden zich ook veel sollicitaties. Zo probeerde hij in februari 1937 voor een baan bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Ironisch genoeg: Dit instituut beschouwd Cajo vandaag als een van de belangrijkste marxisten en zijn archief – met inbegrip van deze sollicitatie – is nu in het IISG. Dat kon men toen niet weten. Cajo werd verteld dat er ‘helaas geen werk’ voor hem is. Dat was de gebruikelijke antwoord op zijn sollicitaties.

Zo gebeurde het dat Cajo zich tot de armenzorg moest wenden. Zelfs daar, was het maar niet makkelijk om geld te krijgen. Voor Cajo was het nog moeilijker, want hij was geen gewone werkloos. Een ambtenaar van de armenzorg bezocht hem thuis om te vertellen dat er een probleem was met het krijgen van uitkering: ‘want hij had opruiende posters op muren geplakt’, werd Cajo tot een boete veroordeeld. De ambtenaar gaf hem te begrijpen, dat hij van zijn politieke overtuiging zou moeten opgeven, als hij de steun niet wilde verliezen. ‘Ik zou liever sterven dan mijn innerlijke overtuiging opgeven’, antwoordde Cajo. En de ambtenaar, in principe een goede man, zorgde ervoor dat Cajo toch wat geld kreeg – zodat hij niet moest sterven.

Maar waarin bestond deze ‘innerlijke levenshouding’? Begin jaren dertig was hij begonnen belangstelling in de arbeidersbeweging te hebben. Over deze tijd zij hij later: ‘Sympathiseerde ik toen ideeën van  het Trotskisme‘ In het voorjaar van 1934 had hij de moed om te debatteren met David Wijnkoop, de leider van bolsjewistische de Communistische Partij van Nederland. Hij werd verslagen in dit debat, omdat Wijnkoop ‘vuile trucs’ bediende. Cajos moed maakte aantal aanwezige arbeiders indruk, die hem verklaarden dat ze niet met Wijnkoop en ook met Trotski mee eens waren. Op deze manier kreeg hij contact met de Groep van Internationale communisten (GIC), een radencommunistische groep. In Den Haag, waar hij bij de econoom en Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen een kamer huurde, sloot hij een onafhankelijke groep in de omgeving van GIC aan en hielp het tijdschrift Proletarische Beschouwingen te verveelvoudigen. Deze blad, dat later in Proletariërs veranderd werd, was gebaseerd op het idee van een aantal Nederlandse marxisten, vooral die van de astronoom Anton Pannekoek en de dichter Herman Gorter.

De GIC, die met groepen in Duitsland, Frankrijk en andere landen samenwerkte, was in Nederland niet strikt georganiseerd. Pannekoek, de belangrijkste theoreticus van de radencommunisme schreef veel, hield zich maar niet met organisatie bezig. Het was wezenstrek voor de bewegingen, waartbij Cajo behoorde: beweging had geen boegbeelen, omdat deze niet met hun principes overeenstemden.

De leden van de GIC hebben geen aanleiding voor hun activiteiten nodig. Ze organiseerden diverse cursussen op zondagmiddag, niet toevallig op hetzelfde moment, wanneer de grote meerderheid van de bevolking naar de kerk ging. In Amsterdam, bij de ingang van een van de panden waar de werklozen hun uitkeringen ontvangen, verspreiden de leden van GIC hun kleine krant Proletenstemmen die vanaf het begin tot het einde in het ‘taal van de arbeider’ werd geschreven.

Het ontbreken van duidelijke leiders hadden het voordeel dat zo authentiek en onafhankelijke geesten, zoals Cajo was, zich vrij konden ontplooien (Dik van der Meulen / Geert van der Meulen, Wie is Cajo Brendel?, in: Cajo Brendel, De revolutie is geen partijzaak.)

Op deze manier betoonde Cajo zelf, hoe de kennismaking met de revolutionaire arbeiders in de jaren 1930 zijn ontwikkeling beïnvloede: “In het bijzonder door middel van contacten met arbeiders kreeg ik een inzicht in de proletarische realiteit.” (Cajo Brendel, vroege herinneringen, in: Cajo Brendel, De revolutie is geen partijzaak)

Vooral door de proletarische basis van het radencommunisme Cajo Brendel werd ook theoretisch opgeleid, zoals hij het zelf beschreef: “Een van mijn vrienden, die ik al lang kende, een arbeider in Berlin die uit Brabant kwam. Af en toe kwam hij naar Nederland, naar Den Haag want zijn twee zonen woonden met hun families. Hij heete Thijssen terwijl zijn Duitse vrienden ‘Thissen’ uitspraken, hij zelf ook toen hij tegen ons sprak en discussieerde. ‘Thissen’`s contact met ons baseerde op het feit dat hij in Duitsland tot de radencommunistische KAPD (Communistische Arbeiders Partij van Duitsland) behoorde en was in staat om ons precies over de standpunten van de Duitse radencommunisten te vertellen. (Opmerking: We zouden het KAPD juist, omdat ze zich aan de partij als een organisatievorm vasthielden, eerder links communistische kenmerken. De harde kern van de Duitse radencommunisten rond Otto Rühle en Franz Pfemfert splitsten zich in 1920 van de KAPD en organiseerden in 1921 in der Allgemeinen Arbeiter-Union, Einheitsorganisation, (AAUE). Er was echter strakke samenwerking tussen de KAPD en de Nederlandse radencommunisten die niet direct uit de Duitse radencommunistische beweging rond Rühle en Pfemfert voortkwamen maar op eigen manier met de partij als een burgerlijke organisatievorm braken.) Thijssen kon de posities en standpunten van de radencommunisten in Duitsland precies doorgeven vooral voordat Hitler aan de macht kwam. Soms onze gesprekken hadden aard van het leren. Hij was vaak in het huis van de arbeider, met wie we goede vrienden waren. Tegen het einde zo een avond vergezelde ik hem vaak nog een stuk. Dan had hij veel plezier in mijn marxistische standpunten uit te dagen: ‘Als er een proletarische revolutie is geweest, wie de macht dan gaan grijpen?’ ‘De proletariërs, natuurlijk’, zei ik. ,Fout’, triomfeerde Thijssen, na de revolutie is er geen proletarische klasse meer. “(Ebenda, S. 77/78.)

Dusdanig leerde Cajo Brendel in de jaren 1930 de aard van de sociale revolutie te begrijpen: de zelfafschaffing van de arbeidersklasse, die alleen het werk van een bewuste revolutionaire proletariaat kan zijn. Maar slechts in objectief revolutionaire situaties nemen grotere secties van het proletariaat een bewuste revolutionaire houding in. In niet-revolutionaire tijden, kan er slechts een kleine minderheid van sociaal revolutionaire arbeiders, mensen zoals Thijssen, die de fakkel van de revolutionaire kennis naar de volgende generatie doorgeven.

Cajo Brendel ontwikkelde zich  in de GIC, toenmalige een van de rijpste groepen van sociaalrevolutionaire minderheid, tot een theoreticus van de sociale revolutie. Vanaf de jaren 1930 tot de 21e eeuw, benadrukte hij de noodzakelijkheid van de proletarische zelforganisatie in de klassenstrijd en – na aanvankelijke sympathie voor het Trotskisme – de consequente tegenstander van het bolsjewisme werd, stond hij grotendeels over zijn sociale milieu van de intelligentsia op en ontwikkelde zich tot de denker van de revolutie. Brendel was net als zijn grote leermeester Pannekoek ook van bewust dat de theoretici in de sociale revolutie slechts een ondergeschikte rol kunnen spelen. Deze bewuste bescheidenheid verhief hem boven de megalomane democratische, fascistische en bolsjewistische Lumpenintelligentie. Vanzelfsprekkend is ook ontwikkelingsgang van Brendel niet vrij van kleinburgerlijke tendensen en theoretische fouten maar bij hem overheerste duidelijk de revolutionaire tendens.

Advertisements
Comments
  1. In je tekst over “Cajo Brendel (1915-2007), een sociaalrevolutionaire intellectueel”, die eigenlijk – zoals de titel suggereert – zou moeten gaan over zijn hele leven, gaat eigenlijk alleen over de Cajo van de jaren 1930. Ik weet niet wat daarvan de reden is, maar misschien probeer je Cajo te koppelen aan het radencommunisme van de jaren 1930. Dat zou niet helemaal terecht zijn.

    Want hoewel hij in die jaren – in Den Haag – deelnam aan de activiteiten van de GIC, moet je je daar niet al veel van voorstellen. In wezen was hij alleen in de jaren 1934-1935 lid of, meer bepaald, een contact van de GIC. (*) Hij blijft daarna wel verbonden aan een groep in Den Haag, de verwant is aan de GIC. Hij helpt daar niet alleen met de verspreiding van “Proletarische Beschouwingen”, maar schrijft ook voor de anarchistische Vrije Socialist.

    In de jaren 1930 was Cajo nog erg zoekende was en zijn sympathieën gingen over en weer tussen het trotskisme en het anarchisme. Dit verklaart waarom nooit een vast lid van de GIC is geworden. Pas in 1952 verbond hij zich, op aanraden van Theo Maassen, definitief aan een organisatie: de Communistenbond Spartacus. Het was pas in die tijd dat zijn ideeën een meer vaste vorm en coherent geheel begonnen te krijgen.

    Cajo Brendel was een jong en aankomend militant, terwijl de theoretici van het radencommunisme van die tijd vooral moesten worden gezocht onder de “ouderen” zoals Henk Canne Meyer, Herman de Beer, Anton Pannekoek (geen lid van de GIC), enzovoort. Cajo was en is dus nooit de theoreticus geweest van het radencommunisme, zoals het in zijn meest klassieke vorm, in de jaren 1930, bestond.

    Cajo is veel meer de belangrijkste theoreticus geworden van het radenisme, zoals dat zich dat vanaf de jaren 1950 uit het radencommunisme ontwikkelde, in het midden van de Koude Oorlog, en precies in de periode dat Cajo zich aansloot bij de Communistenbond Spartacus.

    Het radencommunisme (zoals de Groep Internationale Communisten in de jaren 1930) ging er nog van uit dat politieke groepen invloed konden uitoefenen op de loop van de strijd.

    Dienovereenkomstig zijn ze, als groep (organisatie), ook met regelmaat tussengekomen in de strijd van de arbeidersklasse. Niet alleen middels hun meer theoretische maandelijks orgaan “Persdienst”, maar ook met “Proletenstemmen”, voornamelijk bij de werkelozenlokalen.

    “De activiteiten van de GIC omvatte vele terreinen. (…) De ‘kameraden’ begaven zich ook buiten hun ‘kloostermuren’: op open vergaderingen, voor krantengebouwen en stempellokalen, waar de arbeiders hun protest tegen de vakbondsbureaucratie verwoordden.” (Cajo Brendel, Persoonlijke herinneringen uit de jaren 1934-1939)

    Het radenisme verdedigde echter het standpunt dat men geen enkele invloed kan uitoefenen op de loop van de strijd van de arbeidersklasse en Daad & Gedachte heeft dan ook nooit die intentie heeft gehad.

    “Daad & Gedachte is geen groep, die de zelfstandige strijd van de arbeiders propageert” (…) “Daad & Gedachte kan zich met de zelfstandige strijd van de arbeiders hoogstens solidair verklaren. Deze solidariteit legt haar de verplichting op zelfstandig strijdende arbeiders te steunen. (…) Die steun zal niet alleen van financiële aard zijn. Ook zal ze te allen tijde bereid moeten zijn haar apparatuur alsmede haar technische vaardigheid ter beschikking te stellen.” (Stellingen van Daad & Gedachte)

    Het is vooral van deze laatste politieke stroming waar Cajo de theoreticus van geworden is. En die heeft hij tientallen jaren lang met volle overtuiging en op coherente wijze vertegenwoordigd. De IKS heeft jarenlang met Daad & Gedachte van Cajo gepolemiseerd en gedebatteerd. En we kunnen alleen maar bewondering hebben voor de standvastige en consistente wijze waarop hij het radenisme heeft verdedigd.

    In dit kader is het nog interessant om te vermelden wat er in het jaar 2000 plaatsvond. In dat jaar nodigde de IKS Cajo uit voor een openbare bijeenkomst te Amsterdam. Het onderwerp voor die bijeenkomst was de vraag de vraag: “Radencommunisme, een brug tussen marxisme en anarchisme?” Cajo kwam niet, maar tegenover pogingen om de Hollandse Linkerzijde bij het anarchisme in te lijven schreef hij ons (….): “Ik ben absoluut geen anarchist”, en: “Van de methode van Marx welke hij toepast bij zijn analyses, van enige dialectiek of werkelijk inzicht in wat marxisme is, hebben de anarchisten niet de minste kaas gegeten.”

    Groetjes

    (*) Cajo had nogal de neiging om sommige gebeurtenissen aan te dikken en andere af te zwakken. De volgend passage in zijn “Vroege herinneringen” is dan ook niet een heel correcte weergave van de feiten: “Mijn contact met diverse arbeiders had in Den Haag tot de vorming van een kleine groep geleid: de Groep Internationale Communisten.” Met deze uitspraak suggereert Cajo dat hij aan de wieg stond van de oprichting van de GIC, in ieder geval in Den Haag. Maar zelfs dat is niet waar.

    • srbeweging says:

      Sorry voor late antwoord.
      Ik ga niet je hele reactie van de tekst woord voor woord beantwoorden want dat heeft geen zin. Ik denk dat je alle antwoorden op je vragen in eerst komende 2 teksten kan vinden. Als het niet het geval is. Wij idealiseren niemand. Wie dan ook is. In deze tekst staat boven op dat er nog meer teksten nog bijkomen. Je doet een beetje te gehaast.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s