Archive for January, 2012

 

Het is zeer belangrijk en rechts om de nieuwe onderwijshervormingen te verzetten in de vorm van stakingen en de bezetting van scholen en universiteiten, evenals blokeren snelwegen. Maar onze boosheid en kritiek zijn niet alleen gericht tegen de hervormingen. Radicale kritiek op het onderwijs kan niet worden beperkt door de kritische analyse van het secundair en hoger onderwijs. Het is noodzakelijk om de algemene economische en politieke omstandigheden te herzien waarin sprake is van dit systeem.
Stel je voor dat de burgerlijke systeem van het onderwijs werd afgeschaft. De cijfers en vandaar veroorzaakte druk van de prestaties en de selectie zijn in het verleden. Onderwijs in het kapitalistische systeem is het fundament van de klassenselectie. Vervolgens blijft onze wens als een droom terwijl de klassenmaatschappij bestaat. In een klassenmaatschappij, waar sprake is van verdeling van arbeid op de geestelijke en manuele, is het noodzakelijk voor meeste mensen om hun arbeidskracht te verkopen om te overleven. Sommigen vanwege hun afkomst of hun vermogen te kruipen, worden organisatoren en managers van deze uitbuiting en onderdrukking.

De burgerlijke wetenschap is ondergeschikt aan de belangen van het kapitaal. De hele humanitaire wetenschap probeert bv. ideologisch gezien het kapitalistische systeem te rechtvaardigen, terwijl de sociale wetenschappers beweren dat de moderne burgerlijke maatschappij complete en niet-betwiste vorm van menselijke emancipatie is. Economen proberen, vooral na de ineenstorting van de staatskapitalistische (voor hen, “communistische”) Sovjet-Unie en Oost blok, ons ervan te overtuigen dat “vrije” markt economie is het beste economische systeem in de geschiedenis is. Zelfs in de natuurwetenschappen aan de theoretische en praktische studies, vanaf een bepaalde moment, gaat het om een dienst van de kapitalistische belangen. Ingenieurs ontwikkelen machines waarmee de arbeiders beter uitgebuit worden en worden ontslagen als gevolg van rationalisatie. De programmeurs ontwikkelen programma’s waarmee de bevelhebbers beter ons op onze werkplekken kunnen controleren en de overheid beter over ons kan waken in openbare gelegenheden. Het principe van de kapitaalverhoging maakt van willekeurige menselijke ontdekking, zoals in de genetica, een vloek voor de meeste mensen.

Afschaffing van de warenproductie en de staat verandert ook ingrijpend het leerproces. Onderwijs in de samenleving van vandaag is een achtereenvolgende voorbereiding op het leven in een klassenmaatschappij, die gebaseerd is op de scheiding van mensen en derhalve kan er geen gelijke kansen zijn. Daarom is het belangrijk niet alleen vechten voor de afschaffing van de vergoedingen in het hoger onderwijs maar ook voor de afschaffing van de scheiding tussen middelbare en hoger onderwijs. Het betekent ook het elimineren van de huidige kunstmatige scheiding tussen geestelijke en manuele arbeid. Daarna zouden wij daadwerkelijk een beslissing kunnen nemen of we nu bijvoorbeeld de theorie in de klas of op de praktijk van het gesocialiseerde ondernemingen willen studeren. Vrije studenten en ondernemers kunnen zelf bepalen hun schoolplannen en de regelmaat. Er is geen druk die we moeten specifieke taken of onderwerpen binnen een bepaalde termijn inleveren of oplossen. Leraren zullen niet meer bevoegd gezag zijn maar een vrij te kiezen adviseurs en assistenten. Dus worden ook afgeschaft bestaande in een kapitalistische maatschappij de indeling in “professionele idioten” en “domme mensen”.

De methode en de manier waarop de productie in de gemeenschap is gevestigd, hebben zeker de invloed op het onderwijs en het gehele onderwijsprogramma. Dienovereenkomstig kunnen het kapitalistische proces s van arbeid en het openbaar onderwijs doorgebroken worden alleen door middel van gezamenlijke actie van de arbeiders, studenten en leerlingen. Ook, vakbondsbureaucraten mogen niet onze belangen vertegenwoordigen omdat deze dames en heren zijn “constructieve” co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Zelfbepalende en creatieve activiteiten zijn alleen mogelijk aan de andere kant van de staat en de markt.

Weg met het openbaar onderwijs!
Voor een zelfbepalend en creatief leven in een klassenloze maatschappij!

Advertisements

De studentenbeweging en de proletarische klassenstrijd zijn twee verschillende sociale bewegingen die weliswaar een aanvulling op elkaar zijn. Maar zij zijn in sociaaleconomisch en psychologisch gezien verschillend.

In de structuur is het proletariaat een breed sociaal veld waar de kern arbeiders vormen en de lage randen zijn verschillende sociale lagen. Met uitzondering van de kleinburgerij die afhankelijk van loon is, behoren alle mensen tot het proletariaat die gescheiden zijn van de middelen van productie alsmede niet werkzaam zijn in de bevoorrechte delen van de productie (hoofd van de afdeling, ingenieur ect.), administratie (beheer), de uitvoering van de winst (verkoop) handel en smokkel van geld (banken en verzekeringsmaatschappijen) en in de politieke en (of) staatsorganisaties. Sociale stijging of daling komt vooral voor in het proletariaat. Van de arbeidersklasse mensen voortdurend vallen in de sociale laag van de werklozen en de werklozen vinden werk en dus weer behoren tot de kern van het proletariaat. Bovendien vooral tijdens van de economische stijging worden sommige proletariërs kleine ondernemers of vice versa in de tijd van crisis kleinburgerlijke “vallen” in de rangen van het proletariaat.

Daar tegenover vormen de studenten als potentiële intellectuelen van een tussenlaag die geen bevoorrechting heeft, van de intellectuele tussenlaag. Tot de hierboven genoemde tussenlaag behoren alle mensen die Intellectuele en ( of) management activiteiten uitvoeren die het hoger onderwijs vereisen zoals managers, ingenieurs, juristen , officieren van justitie, rechter, leerkrachten, professoren, artsen, enz. Dat wil zeggen na de uitreiking van HBO/WO diploma krijgen succesvolle studenten de kans naar de kapitalistische heersende klasse onsuccesvolle “vallen” in het proletariaat.

Studenten komen vooral uit de burgerlijke en kleinburgerlijke kringen, en slechts een minderheid van mensen uit de arbeidersklasse. Kleinburgerlijke tussenlaag van intellectuelen, door middel van Hoger onderwijs reproduceert zichzelf en krijgt alsook de “Beste Minds” van de arbeidersklasse binnen. Hoewel de studenten verstoken zijn van privileges, hebben ze toch als potentiële intellectuelen een perspectief op sociale stijging. Misschien zijn zij nog steeds in opstand tegen het systeem van het onderwijs waardoor zij stress ervaren maar morgen kunnen zij misschien behoren tot een geprivilegieerde laag, tenminste in vergelijking met het proletariaat.

Door de depersonalisatie van het individu in de hedendaagse kapitalisme zijn ook de intellectuelen onderworpen aan sterke proletarisering. Terwijl de “normale” kleinburgerlijke studenten hun toekomstige bevoorrechte positie idealiseren, zijn de links politiek actieve studenten geneigd om het andere extremiteit mee te maken en overdrijven hun proletarisering. Zij beweren dat ze maken deel uit van het proletariaat en zelfs zijn zij hun avant-garde. Het studentenprotest is in ieder geval een verschijnsel nogal in de mode en vaak eindigt met de afronding van de studie en het begin van carrière.

Studenten fase is privilegielos en tegelijkertijd de meest radicale voor intelligentsia. In deze fase vinden velen zelfs zichzelfs als revolutionairen, maar zij blijven typische kleinburgerlijke radicalen. Studenten die niet in staat waren om hun eigen kleinburgerlijke radicalisme te overwinnen kunnen zij het ook niet doen wanneer zij intellectuelen worden.

Wat is het verschil tussen sociaalrevolutionaire studenten en de kleinburgerlijke radicale studenten? De sociaalrevolutionaire studenten stellen zich niet tevreden met hun ‘kritische’ houding de wetenschap maar strijden voor de vernietiging van de wetenschap als de vernietiging van hun eigen privilege en gelijktijdig benarde situatie. Tegelijkertijd beseffen ze dat de tussenlaag van intelligentsia al te zeer kleinburgerlijk is om zichzelf te liquideren(afschaffen). Daarom vechten zij voor de afschaffing van de wetenschap als deel van de zelfliquidatie. Zij beseffen ook dat slechts een klein deel van hen aanzienlijke rol zal spelen tijdens de revolutie.

Op deze basis kijken ze met een glimlach op de kleinburgerlijke Lenin`s waanzin op de avant-gardische rol van intellectuelen in de revolutie. Sociaalrevolutionaire studenten verbinden zich met de proletarische revolutionairen met een helder begrip van zich kleinburgerlijke radicalisme. Terwijl kleinburgerlijke studenten zichzelf “proletarische revolutionairen” noemen, sociaalrevolutionaire studenten weten dat ze geen proletariërs maar kleinburgerlijk zijn.

Studenten en loonarbeiders vormen twee tegengestelde polen tussen verdeling intellectuele arbeid in universiteiten en materieelpraktisch in bedrijven. Deze kunstmatige burgerlijke opdeling, ondanks het feit dat de productieve activiteit en intellectuele oorspronkelijk een ongedeeld menselijk proces waren, vervreemdt zowel studenten als arbeiders. Zij maakt het intellectuele activiteit onpraktisch en praktische activiteiten vaak zonder intellectueel.

Aan de ene kant is anarchosyndicalisme tegen de staat en bazen maar aan de andere kant, idealiseert de “non autoritaire” zelfbestuur van mensen. Deze zelfbestuur kan plaatsvinden zowel in de coöperaties of kleine ondernemingen als bij grote ondernemingen, zoals het was in Spanje in de jaren 30 en onlangs in Argentinië. Tegelijkertijd worden er de loonarbeid en het kapitaal niet aangetast maar men probeert alleen ze een “eerlijke, sociale en zelfbesturende” vorm te vormen. Deze hoop en de zucht om in de collectieven “goede” kleinburgerlijke verhoudingen te creëren, in tegenstelling tot “slechte” grote bourgeoisie in de vorm van grote bedrijven en bedrijven die meer over de vorm van public relations zorgen dan over de inhoud. Voor deze vrienden van de vrijheid is het belangrijk dat de koffie in kleine, zelfbesturende boeren coöperaties, zonder nadelige gevolgen voor het milieu wordt geproduceerd, waarvoor “eerlijke” loon wordt betaald. Op deze manier werden geïdealiseerd de collectieven (komunnen en coöperaties) tijdens de Spaanse “revolutie”, zelfbesturende Brukman en Zanon in Argentinië en het geval van zelfbestuur in de fietsfabriek in Nordhausen (Duitsland).
Best-seller FAU “Strike Bike”

Op de website van het Anarchosyndicalistische duitse Freie Arbeiter Union (FAU) (enthousiast) staat “19 september 2007: De personeel van de bezettende fietsfabriek in Nordhausen (Thüringen) werkt weer aan de zelfbesturende basis. Met volledig zelfbestuur en zonder managers werden er 1837 “Strike Bike” fietsen geproduceerd. Al enkele maanden vooraf bestelde fietsen zijn ter beschikking gesteld van kopers. ” Dit alles toont duidelijk aan dat het doel van anarchosyndicalisme het beheer en de planning “postkapitalistische” samenleving is door middel van de vakbonden. Dit is niet het gevolg van het verval van de anarchosyndicalisme maar het resultaat van het gebrek aan kritiek en analyse van de loonarbeid en de warenproductie.

In dit geval hebben wij geen kritiek op de voormalige arbeiders zelf van de fabriek Bike Systems. Ze probeerden zich te verzetten, bezetten zij de fabriek. Zij lieten zien dat ze zonder managers konden produceren en niet laat henzelf in de straat zetten. Deze ervaring is van groot belang voor arbeiders. Maar ook in dit heel verhaal is belangrijk op te merken wat voor de FAU belangrijker was. Dat alles gebeurd is “zonder leiders” en vervolgens, op basis van zelfbestuur. Hieraan werd de oude organisatievorm van het werk(zelfbestuur!) bewaard. De productie van “Strike Bike” duurde precies een week maar voor FAU was dit een feest van zelfbestuur die toonde aan dat “de zelfbestuur van de productie kan werken”. Juist hier is zogenaamde kortsluiting van anarchosyndicalisten, die de overgang van kapitalistische maatschappij zich voorstellen, zodat de productiemiddelen simpelweg worden overgenomen en verder zelfbestuurd. Geen kritiek op de loonarbeid, geen woord over de staat, of deze vernietigd moet worden en verwijderd wordt de warenproductie. Geen woord over, dat jij niet kunt zomaar de productie overnemen en zelfbesturen want dit is een kapitalistische warenproductie, dat eerst de relatie tussen mensen moet gewijzigd worden. En binnen de kapitalistische warenproductie kunnen geen eilandjes van anarchistische/ communistische maatschappij kunnen zijn.

Voorbeelden van Zanon en Brukman

Zelfbesturende bedrijven zoals Zanon en Brukman in Argentinië maken deel uit van de kapitalistische markt en produceren voor de markt. Hoewel de arbeiders van deze bedrijven op deze manier, tenminste voor een korte periode, middelen van bestaan hebben maar dit bestaan is het bestaan van de loonarbeiders. De actie van de arbeiders in deze situatie is gedwongende beslissing die noodgedwongen zelfs de staat zelf legaliseert want op deze manier hebben de arbeiders hun inkomsten en zij zorgen voor hen inkomsten maar niet voor de revolutie.

En in het algemeen, wat betekent zelfbestuur? Zelfbestuur betekent dat we het zelf willen doen, maar in werkelijkheid willen we het gewoon niet. Wij willen het slopen en op een nieuwe basis alles volledig opbouwen maar niet zomaar zelfbesturen. We leven onder het kapitalisme met zijn democratische illusie van vrijheid. De revolutionairen, die willen niet meer loonarbeiders en werklozen zijn maar willen klassenmaatschappij afschaffen, willen zij niets mee te maken hebben met zelfbestuur want zelfbestuur betekent het beheren van hun eigen uitbuiting. Ze willen niets daarmee te maken hebben want ze kunnen niet de ding zelfbesturen die zou eigenlijk moeten worden afgeschaft, namelijk de kapitalistische armoede van burgerlijke bestaan van de loonarbeider.

Spanje in 1936-37: De mythe van de “anarchistische collectieven”

Deze dagen van de 75e verjaardag van de opstand van juli is het van belang weer te begrijpen wat eigenlijk “de anarchistische groepen” waren? Het artikel van het Spaanse links communistische tijdschrift “ACCION Proletaria” No.20 heeft kritisch bekeken voor de anarchisten en anarchosyndicalisten de “heilige” kwestie, zoals zelfbestuur in communes en coöperaties in de Spaanse “revolutie.” Hoewel we niet helemaal eens met sommige formuleringen zijn, maar dit artikel heeft wat dat veel artikelen vandaag niet hebben: absolute duidelijkheid, de radicale kritiek en laat geen ruimte voor compromissen.

Spaanse collectieven van 1936 bieden de officiële anarchisten vaak aan als een ideaal model voor de revolutie. Volgens hun visie beschikken de collectieven de mogelijkheid van zelfbestuur toe, betekenen de afschaffing van de bureaucratie, verhogen de productiviteit en een “wonder van alle wonderen”, “het werk van de arbeiders zelf” en “voortdurend begeleidende libertariers” (de beschrijving van Gaston Leval, een van de meest fervente verdedigers van de anarchosyndicalisme en CNT).

Maar de officiële anarchisten zijn niet de enige, die ons “paradijs” collectieven prijzen. Heribert Barrera, Catalaans Republikeins lid van Cortez, prees collectieven als “een voorbeeld van een sociale markteconomie die de menselijke vrijheid en initiatief respecteert”, terwijl de aanhangers van de POUM vertelden “dat de collectieven in de Spaanse revolutie, in vergelijking met de Russische revolutie, de meest diepzinnige karakter hebben”.

Wat onze positie betreft, zijn wij genoodzaakt om weer “tegen stroom” te zwemmen: collectieven van 1936 waren niet de middelen van de proletarische revolutie maar een instrument van de burgerlijke contrarevolutie. Tevens waren ze geen “nieuwe maatschappelijke organisaties” maar het laatste heil van de oude, die bewaard zijn gebleven in al zijn verschrikkelijke vorm.

Wanneer we dat zeggen, willen we niet onze klasse demoraliseren. Integendeel: de beste manier van hun moed ontnemen. Dit is om ze te laten vechten voor het verkeerde model van de revolutie. Voorwaarde voor de overwinning van de revolutionaire aspiraties is de volledige bevrijding van de valse revolutionaire modellen, in de release van een valse paradijs …

Wat waren de collectieven?

Spanje in 1936 was compleet geteisterd door ernstige economische crisis die sinds 1929 duurde. Nationale kapitaal werd getroffen door drie soorten van sociale transformaties

• fundamentele tegenstelling tussen de bourgeoisie en het proletariaat

• interne conflicten tussen verschillende fracties van de bourgeoisie

• botsingen tussen verschillende imperialistische blokken

In Spanje van 1936, fungeerden deze drie schokken met grote intensiteit en zetten de Spaanse kapitalisme in een bijzonder moeilijke positie.

Ten eerste, de Spaanse proletariaat in tegenstelling tot hun klasse broeders in Europa was nog niet gebroken en bleef de volle kracht in de strijd tegen uitbuiting. Een opvallend kenmerk van deze strijd was het verspreiden van algemene staking over het hele land. Maar ook opstanden en muiterijen die de grootste verwarring binnen de heersende klasse veroorzaakten.

Ten tweede, verergerd de spanningen binnen de heersende klasse. Achterblijvende economie, die geplaagd door een enorme onbalans, was helemaal geteisterd door de wereldcrisis. Dit alles diende als vruchtbare grond voor conflicten tussen de rechterbourgeoisie (grootgrondbezitters, bankiers, militairen, kerk, aanhangers van Franco), en linkerbourgeoisie (industrie, stedelijke middenklasse, vakbonden, enz.), wiens leiders van de Republikeinen en het Volksfrontwaren waren.

En tot slot, de Spaanse kapitalisme, vanwege zijn instabiliteit werd een gemakkelijke prooi voor imperialistische roofdieren dat vanwege de crisis meer en meer nieuwe markten en strategische posities nodig hebben. Duitsland en Italië heeft zijn bod op Franco, die onder het mom van “traditie” en “kruistocht tegen de atheïstische communisme” was verstopt. Sovjet en Westerse machten hadden in de Republiek en in het Volksfront bastion gevonden, die zich achter het gordijn van “antifascisme” en “vechten voor de revolutie” verstopten.

In al deze omstandigheden, in 18 juli 1936 begon Franco’s opstand die het hoogtepunt van overexploitatie en onderdrukking van de kant van de republiek bereikte sinds 1936. De reactie van de arbeidersklasse was snel en krachtig: de algemene staking, opstand, bewapenen van de massa’s, onteigening en bezetting van bedrijven.

Vanaf het eerste moment probeerden alle krachten van de linkerbourgeoisie (van de Republikeinse Partij tot de CNT), de arbeiders af te leiden in de val van de antifascistische strijd. Onteigening van bedrijven was omgevormd tot een doel op zich, zodat de arbeiders weer aan het werk kwamen met de illusie dat de fabrieken behoren tot hen en dat ze “gecollectiviseerd” zijn.

Maar de dag van de juliopstand toonde aan het publiek dat de strijd van de arbeiders zich ontwikkeld, niet alleen tegen Franco maar ook tegen de republikeinse regering. Arbeiders gingen in staking, onteigenden de bedrijven, bewapenden als een autonome klasse om een aanval te beginnen tegen de kapitalistische staat als een geheel (Dat wil zeggen zowel tegen de fascistische als de republikeinse staat). Om met succes de opstand te ontwikkelen, moesten de arbeiders niet worden beperkt tot de vorming van de militie. Zij moesten tegelijkertijd niet alleen de nazi leger in de pan hakken maar ook de Republikeinse krachten en vervolgens vernietigen aan de grond de kapitalistische staat om op de ruïnes de kracht van de arbeidersraden te bouwen.

Dat was de reden van de nederlaag van het proletariaat dat de republikeinse krachten, vooral de CNT en de POUM, gelukten om de arbeiders van de beslissende stap (de vernietiging van de burgerlijke staat) op te houden, en het proletariaat voor “antifascistische strijd” en “de collectivisering van de economie” te mobiliseren
Catalaanse nationalisten, het Volksfront en helaas CNT beperkten de arbeidersstrijd met eenvoudige onteigening van bedrijven. Op deze manier klemden zij het etiket “revolutionaire collectieven” die binnen de kapitalistische staat zijn ontstaan en op geen enkele wijze beïnvloedden. Dus de “revolutionaire collectieven” waren niet alleen ongeschikt voor de arbeiders maar bleek ook een instrument van controle en overexploitatie van arbeiders door kapitaal. Het was duidelijk dat de CNT, die niet voor de spontane stakingen van 19 juli en bewapening van het proletariaat aanriep, maar meteen aanriep om een einde te maken aan stakingen en de wederopvatting van het werk. Met andere woorden kwam CNT tot de verdediging van de kapitalistische staat met het argument dat bedrijven “gecollectiviseerd” zijn.

Mooie “libertaire” collectieven, die volgens de POUM “in vergelijking met de Russische revolutie, zijn de meest diepgaande” rechtvaardigden de terugkeer naar het werk, het einde van de revolutionaire opstand en de ondergeschiktheid van de arbeiders van de militaire economie. In de huidige omstandigheden van extreme onrust en de ineenstorting van de kapitalistische apparaat, dienden de collectieven met zijn radicale schild als het laatste redmiddel om arbeiders te overtuigen om te werken en om de volgorde van uitbuiting te redden. De monarchistische politicus Osorio Gallardo openlijk toegaf: “De collectieven waren een noodzaak. Het kapitalisme heeft zijn hele geloofwaardigheid verloren. Zijn heren waren niet meer in staat te bevelen, en de arbeiders wilde niet meer gehoorzamen. In zo’n onrustige situatie zou de industrie of volledig instorten of zoals het was, namen de generaals de industrie onder controle en organiseerden het communisme à la Sovjet-model.”

Wanneer men zegt, dat de collectieven een model van “communisme” en “arbeidsraden” waren, wordt het belachelijk. De hoeveelheid informatie, feiten en bewijzen om het tegendeel te bewijzen, zijn deprimerend. Laten we ze bekijken in detail.

1. Een aantal bedrijven werden gecollectiviseerd, met instemming en deelname van ondernemers zelf. Wat betreft de collectivisering van de chocolade-industrie in de Torrente (Valencia), Gaston Leval in de hierboven genoemde boek schreef: “Gemotiveerden die wens hebben om de productie(?) te moderniseren, evenals de wens om de uitbuiting van de mens door de mens(!) af te schaffen, vond in 1 september de bijeenkomst plaats. Zowel de werkgevers als de werknemers waren uitgenodigd voor deelname aan het beheer van collectieven en iedereen heeft gestemd voor de organisatie van de productie en het leven in een geheel nieuwe basis.”

De bouw van deze “geheel nieuwe fundering voor het leven” vond plaats op basis van de erkenning van alle stutten van het kapitalistische regime. Bijvoorbeeld, een tramcollectief in Barcelona “erkende niet alleen de betaling van leningen aan kredietverstrekkers maar ook gesprekken gevoerd met aandeelhouders tijdens een vergadering van alle aandeelhouders” (ibid.). En was het een diepe doordringende revolutie die de schuld en belangen van de aandeelhouders erkende? Een heel vreemde manier van het organiseren van de productie en het leven in een geheel nieuwe basis!

2. De collectieven assisteerden vakbonden en politieke partijen in de restauratie van de kapitalistische economie

• bij de concentratie van bedrijven: “We hebben de kleine winkels met weinig arbeiders die geen vakbondsactiviteiten hadden laten zien. De passiviteit is schadelijk voor de economie. “(Verslag van een houtbewerking vakbond CNT , Barcelona 1937).

• bij het rationaliseren van de economie: “Ten eerste, hebben we de financiële stabiliteit hersteld van de industrie door het organiseren van een algemene industriële raad, waar 2 delegaten van ieder bedrijfstak. Overtollige bijdragen moesten gediend worden als ondersteuning voor onrendabele ondernemingen en voor aanschaffing van grondstoffen en onderdelen”(CNT Barcelona 1936).

• bij de centralisatie van de meerwaarde en kredieten aan de behoeftes van de oorlogseconomie “50% van de winst in de gecollectiviseerde bedrijven wordt gebruikt om het eigen vermogen te handhaven en de overige 50% is beschikbaar voor lokale of regionale raden van de economie.” (Verslag van CNT over de collectieven, december 1936)

Zoals je kunt zien geen cent van de winst vallen aan de arbeiders. Maar goed! Gaston Leval verdedigde het met grote cynisme: “Het is mogelijk met volledige redenen te vragen: waarom winst is niet verdeeld tussen arbeiders die zijzelf hadden het gemaakt?” Op dit antwoorden we: “Omdat de winsten wij voor sociale solidariteit verzamelden”. “Sociale” solidariteit met de operatie, met de oorlogseconomie en de vreselijke armoede!

3. Collectieven raakten niet de buitenlands kapitaal aan, zoals de POUM zei “om de woede van de vriendelijke landen te voorkomen”. Wij vertalen dit als volgt: “om de nek onder het juk aan de imperialistische krachten te buigen, die de Republikeinse kant ondersteunden”.
4. De organen die regeerde de collectieven (vakbonden, politieke partijen, comités) waren volledig geïntegreerd in de kapitalistische staat:
“De fabriek comités en de comités van controle van de onteigende bedrijven werden organen die de productie verhogen. Deze comités waren geen organen meer die tijdens stakingen zijn gemaakt om de staat te vernietigen. Die waren organen die zich op de militaire economie oriënteerden. En een fundamentele voorwaarde hiervoor was de staat te versterken”. (Bilan, de Italiaanse krant van linkse communisten).

Wat de politieke partijen en vakbonden betreft, kunnen we zeggen dat niet alleen de krachten die deel uitmaken van het Volksfront, maar ook “basic”, “radicale” organisaties waren geïntegreerd in de staat. CNT had 4 delegaten in de Economische Raad van Catalonië, 3 ministers in de regering van Catalonië en 3 ministers in de centrale regering in Madrid. Maar ze waren niet alleen aan de top van de staat, maar ook vormden de basis: op het platteland, in fabrieken,in wijken. Republikeinse Spanje had honderden “libertaire” burgemeesters, wethouders, korpschefs, officieren, enz.

Maar deze krachten, dankzij hen deelname in het beheer van de staat, waren niet alleen de componenten binnen de staat. Het is de integriteit van het gehele beleid, dat zij verdedigden, en dus werden vlees en bloed van de kapitalistische orde. Dit beleid van permanente obstructie van de activiteiten van de collectieven was antifascistische eenheid, die de opoffering van arbeiders in het militaire fronten en overuitbuiting in de fabrieken rechtvaardigde. Gaston Leval legt de politiek van CNT als volgt: “We moeten ons beperken om de grote vrijheden van de republiek te beschermen”. Gaston Leval “vergeet” dat “grote vrijheid van de arbeiders” waren stakingen, die werden onderdrukt door een republiek. “De vraag is niet om een libertaire communisme te implementeren, en ook niet in de aanval op het kapitalisme, de staat of aan politieke partijen, maar om de overwinning van het fascisme te voorkomen”. Waarom dan, CNT, anarchisten bekritiseerden de Communistische Partij van Spanje indien hun programma hetzelfde was: namelijk het kapitalisme verdedigd onder de mantel van antifascisme?

“We zijn gedwongen om te concluderen dat de collectieven geen geringste offensief tegen de burgerlijke orde waren. Maar zij waren een vorm die de bourgeoisie voor zichzelf gebruikte, om de economie te organiseren en de uitbuiting te houden op het moment van maximale spanning en de radicalisering van de arbeiders. Zulke momenten maken onmogelijk dat het kapitalisme zijn traditionele methoden van onderdrukking gebruikt. In een situatie waarin de arbeidersklasse op de stijging is kan het kapitalisme in het algemeen geen gebruik maken van de klassieke legale methoden van repressie. Vervolgens wordt het kapitalisme gedwongen, tegen de uitgebuite de cellencontrole netwerk te maken. Deze cellen netwerken die voorheen als officieren van justitie, politie en gevangenis bekend waren verkeerden in een extreme situatie van Barcelona in de militie comités, de “socialisatie” industrie, vakbond arbeiders, bewaken konvooien, enz”. ( Bilan ).

De organisatie van de militaire economie

Nadat we erachter kwamen dat de collectieven een kapitalistische hulpmiddel waren, beginnen we te begrijpen welke rol ze spelden. Ze moesten een draconische orde van de militaire economie onder het proletariaat vaststellen die een imperialistische oorlog jaren 1936-1939 in Spanje eiste.

De samenstellende delen van de militaire economie zijn de militarisering van arbeid, de rantsoenering systeem en de verandering van de hele productie uitsluitend voor de behoeften van de totalitaire en monolithische doel, dat wil zeggen, Oorlog.

De collectieven waren de vijgenblad die de bourgeoisie op arbeiders militaire discipline, uitbreiding van de werktijd en onbetaalde overuren kon opdringen. Een bourgeois journalist juichte “op de sfeer”, wat in de fabriek van Ford heerste: “Er waren geen opmerkingen of verdeeldheid. Aanvankelijk kwam de oorlog en dat betekende: werken voor de oorlog en werken voor onbepaalde tijd … Niemand zich verontwaardigd dat de arbeiderscomités, die bestaan uit arbeiders, strikte instructies hadden gemakt en de nieuwe overwerk hadden opgericht. Het allerbelangrijkste was de overwinning op het fascisme”.

De statuten van de collectieven eenduidig bepaalden het organiseren van de militarisering van arbeid:
“§ 24: Iedereen moet werken zonder tijdslimiet om de benodigde dienstverlening uit te voeren voor de collectieven. § 25: Elk lid van collectief moet, in aanvulling op zijn werk, helpen met alle dringende en onvoorziene arbeid” (Collectief Xativa – Valencia).

Op vergaderingen van de collectieven zijn meer en meer democratische methoden opgelegd aan de kazerne orders: “We hebben besloten om een afdeling te organiseren waar vrouwen kunnen werken in plaats van slungelen op de straat… Tot slot werd er besloten om in elke werkkamer een verantwoordelijke persoon te stellen voor het toezicht op de leerlingen. Leerlingen, die twee keer afwezig zullen zijn voor geringschattend reden, worden ontslagen zonder enige uitleg” (De medewerkers van Tamarite – Huesca).

Wat de rantsoenering systeem betreft, een Catalaanse krant schreef over de manier hoe de oprichting van rantsoen door de democratische methoden was opgedringd: “Door het hele land dwong men mensen zuinig te leven, van edele metalen tot de aardappelschillen. De overheid moet dit regime strikt in acht nemen. Maar hier in Catalonië heeft de mensen geheel vrijwillig en bewust voor een streng rantsoen instelling gekozen”.

De eerste wet van de “ultrarevolutionaire” Raad van Aragon (met Durruti en anderen) luidt: “Voor de behoeften van de collectieven zullen worden bonkaarten uitgegeven voor ratsoenen”. Deze “revolutionaire actie”, die “door de burgers bewust aangenomen was”, betekende onuitsprekelijke problemen voor de arbeiders en voor de hele bevolking. Gaston Leval schreef zonder aarzelen: “In de meeste collectieven ontbrak vlees, en zo verder nog niet genoeg was, zelfs de aardappel” (ibid.).

Als gevolg hiervan, de kazerne discipline en door de bourgeoisie opgedringde, onder de mantel van collectieven, de oprichting van rantsoen had een doel: alle economische en menselijke middelen offeren voor de imperialistische oorlog.

Collectieven: een tool voor overexploitatie

De meest voor de hand liggende indicator van vijandigheid van “anarchistische collectieven” ten opzichte van de arbeiders is dat de republikeinse bourgeoisie met behulp van “anarchistische collectieven” gelukte de arbeid en de levensstandaard van de arbeiders ondraaglijk te maken.

• De lonen daalden van juni 1936 tot december 1938 nominaal met 30%, en de levensstandaard daalde met 200%!
• De prijzen stegen van 168,8 in 1936 (index 1,933 : 100) tot 564 in november 1937 en naar 687 in februari 1938.
• De werkloosheid, ondanks de hoge sterfte in de front, steeg in de periode van januari 1936 tot november 1937, op 39%.
• Werktijd is gesprongen tot 48 uur per week, aantal overuren met 30% gestegen.

Vooral de zogenaamde “arbeid organisaties” (CP, UGT, POUM, evenals CNT) waren verantwoordelijk voor de overexploitatie en afbraak van de arbeiders.

Peiró, een van de bazen van de CNT, in augustus 1936, zei: “De 40 uur werk week voldoet niet meer de behoeftes van de natie en dus duidelijker ongepast”. De vakbond verklaringen van CNT waren de meest “gunstige” voor de arbeiders: “Oorlog, productie en verkoop. Er zijn geen vereisten voor loon of een andere vereisten. Allen moeten gehoorzamen aan de belangen van de oorlog”.

De Communistische Partij van Spanje gierde “Geen stakingen in het democratische Spanje! Geen werkloze arbeider in reserve!”. De collectieven als instrumenten van “arbeidskracht” en “socialisatie” in de handen van de overheid werden gebruikt om de forse verslechtering van de levensstandaard van de arbeiders te rechtvaardigen.

Het collectief van “Grouse” in Uska was zelfs zo: “vrouwen van wie de behoeftes door gezinnen worden voldaan worden de lonen niet betaald”. “Het collectief “Ospitale” in Barcelona: “Gezien de behoefte van extra belastingen, verwerpen wij 5% salarisverhoging en de werkdag die door de regering waren geaccepteerd.”

Conclusie

Analyse van de pijnlijke historische ervaring van de Spaanse proletariaat, toen de burgerij gelukte het proletariaat te bedriegen door middel van de collectieven is een belangrijke noodzakelijkheid zodat wij de volgende keer niet in dezelfde val vallen. Om ons te winnen, om ons te dwingen aan de voorwaarden van overexploitatie en de werkloosheid accepteren, gebruikt de bourgeoisie illusie: Zij kleedt zich als een “arbeiders” als een “vriend van volk”. Fabrieken worden gegeven als “gesocialiseerde” en “zelfbesturende”. Zij oproepen tot solidariteit tussen de klassen onder de vlag van antifascisme, tot beschermen de democratie, de strijd tegen het terrorisme … Zij inspireert de arbeiders dat ze “vrij” dat zij “controle” van de economie hebben, enz. Maar onder de democratie en zelfbestuur is de burgerlijke staatsapparaat verborgen die met al zijn wreedheid de kapitalistische productiewijze ondersteunt.

Leren van fouten. Collectieven 1936-1939 periode waren verraderlijke modellen, paradijs van een mooie illusie, waardoor het kapitalisme de arbeiders nederlaag tegendrijft. De lessen van deze gebeurtenissen moesten aan de hedendaagse proletariaat een mogelijkheid geven de val om te zeilen die het kapitaal maakt om eindelijk tot bevrijding te komen.

Burgerlijke partijen reproduceren kapitalistische klassenmaatschappij d.w.z. dat aan de ene kant de professionele politici (partijelite) zijn, aan de andere kant staan de loonarbeiders (gewone leden). Op het moment wanneer de arbeidersbeweging nam de partijvorm als staatkundige strijd nam het ook de staatkundige vorm van de klassenheerschappij en begon te reproduceren dit sociale vorm dat wil zeggen vandaar de steun van de burgerlijke maatschappij.

De “communisten” a la Lenin waren echte theologen van de partijreligie. Voor hen de partij was alles maar zelfstadige acties van de arbeidersmassa waren alleen een middel van hen partijdictatuur. De burgerlijke dictatuur mogen wij noemen de dictatuur van enkele partijen en de stalinistische partijdictatuur – de dictatuur van een partij. Er is geen verschil dat een partij zoals in staatskapitalisme controleert organiseert uitbuiting van de arbeidersklasse of meerdere partijen zoals in democratie. Dus de geschiedenis van het leninisme heeft laten zien dat de partij een burgerlijke vorm van organisatie is die streeft naar de macht te grijpen(maar niet te vernietigen!) en kan niet een organisatorische vorm zijn die leidt tot de bevrijding van het proletariaat.

Wij gaan er van uit dat de arbeidersklasse creëerde en voor zichzelf tijdens de klassenstrijd zijn eigen revolutionaire vorm van de organisatie zal creëren. Sommigen kunnen denken dat wij helemaal tegen de organisaties zijn. Nee, wij zijn dus geen tegenstanders van organisaties. Wij zijn wel de tegenstanders van de burgerlijke vorm van organisaties. Wij benadrukken dat de revolutionaire organisaties zich alleen kunnen voordoen in de revolutionaire klassenstrijd en de in het revolutionair moment. Wij loochenen niet de hedendaagse sociale organisaties van de revolutionaire minderheden. Wat wij wel loochenen, is de bezetting van de ambten in de arbeidersbeweging door de professionele politici die sociale basis van het partijmarxisme zijn. Daarbij willen wij niet van de partij “communisme” dat zij voor revolutie strijdt (zij is objectief niet in staat) want de sociale revolutie kan niet een product van de partij zijn. Tot dusver in de geschiedenis van het marxisme is de poging van de partij om revolutionair te zijn, werd een bureaucratische staatsgreep(putsch).

Echter, wat kunnen mensen vandaag met een revolutionair bewustzijn doen voor de mogelijke toekomstige sociale revolutie? Gewapend met het historisch materialisme kunnen zij zich verenigen aan de groepen en ontwikkelen de kritiek van alle bestaan, dat wil zeggen zelfs in niet-revolutionaire tijden deel te nemen aan revolutionaire activiteiten. De revolutionaire groepen hebben tijdens de sociale revolutie binnen de PROLETARISCHE ZELFORGANISATIES te ontbinden die zowel spontaan als bewust worden gecreëerd in de strijd door de arbeidersklasse.

Veel anarchistische theoretici hebben gelijk. Historisch gezien, conceptie van partij en “Arbeidersstaat” heeft laten zien zijn nutteloosheid. Maar de kritiek door anarchisten is voornamelijk moralistisch maar geen materialistisch. In plaats van dat zij(anarchisten) loonarbeid en warenproductie kritiseren die fundament van het kapitalistische systeem zijn, zijn zij geneigd te spreken over antiautoritarisme, heerschappij, hiërarchie, vernedering, onrechtvaardigheid. Deze verschijnselen zijn producten van het kapitalistische systeem. En de kritiek van het systeem begint vanaf de kritiek van de sociaaleconomische kern van het kapitalisme d.w.z. uitbuiting en vernedering van de mens in het productieproces.

Anarchisme idealiseert in tegenstelling tot marxisme geen staat maar petite bourgeoisie (klein bedrijven) en (klein) het kapitaal. Anarchisme probeert te laten zien dat er tegenstellingen is tussen de staat en het kapitaal en idealiseert ook de prekapitalistische betrekkingen. 

Theoreticus van anarchisme Bakunin kritiseerde Marx voor autoritarisme en centralisme. Maar hij had dezelfde tendenties. In tegenstelling tot leninistisch hoofdkwartier en rol van Marx in I International stelde hij “revolutieanarchistische” hoofdkwartier tegen als “Internationale gemeenschap van de arbeiders”. Bakunin richtte op en nam deel in vele geheime collectiviteiten die geen betrekking had met zelfbevrijding van het proletariaat.

Als leninisten zijn fetisjisten van partijen dan zijn anarchisten fetisjisten van vakbonden. Daarbij wordt er geprobeerd, zoals in geval van “revolutionaire partij” bij leninisten, om en andere nonsens op te richten een “revolutionaire, strijdbare, geen bureaucratische syndicaat”. En nog daarbij wordt er historische rol van de vakbonden genegeerd. De organisatorische vorm en de praktijk van de syndicaten waren nooit revolutionair en nooit konden revolutionair zijn. Vakbonden bezorgden altijd om “de aanbiedingsprijs van de waar arbeidskracht” en deze houdt niks revolutionair in. Dit is een functie die het kapitalistische systeem behoudt maar niet vernietigt.

Hoewel dit jaar de protesten tegen de top van de G8 zijn gedecentraliseerd over de hele wereld, maar in zijn essentie en aantrekkingskracht zijn ze net als voorheen. Zoals altijd, aan de ene kant zijn er politici, kapitalisten en de heersende elite van de wereld, aan de andere tegenstanders van de “Big Eight”. Duizenden mensen marcheren om na de schadeloze toneelstuk voor de staat en het kapitaal naar huis te gaan en beginnen te werken als voorheen. Overal waar het kapitalisme dagelijks zelf reproduceert, waar we het(kapitalisme) dagelijks reproduceren door middel van loonarbeid in de fabrieken of in kantoren en magazijnen. Met een concrete strijd bij de plaatsen waar wij wonen en werken, hebben anti -G8- protesten en dit hele demoturizme niets mee te maken.

 

Kritiek en strijd moeten concreet worden!
In een van de oproepen van de tegenstanders “Big Eight”, die dit jaar zal worden gehouden in het stadje Deauville in Frankrijk gaat over de wereld oorlogen, honger, sociale ongelijkheid, over de vernietiging van de ecosystemen, de muren tegen immigranten en vluchtelingen, zelfs over “onrechtvaardige wereld handel”. En wat gebeurt met onze concrete problemen in onze bedrijven, scholen en universiteiten? Geen woord over de werkloosheid, stijgende huren en voorzieningen, over de noodzakelijkheid van de betalingen en het kopen voor alles, over onze alledaagse situaties op het werk. Geen woord over onze dagelijkse problemen en zorgen en ook geen woord over onze wensen en dromen. In de oproep zijn er zelfs geen woorden over strijd, arbeidersstrijd en stakingen.

Vervolgens komt de kwestie van de “globalisering in het belang van de meeste mensen”, de “eerlijke verhoudingen tussen geïndustrialiseerde landen en de Derde Wereld”, over “vrede, rechtvaardigheid, sociale zekerheid en natuurlijk de democratie”. De kritiek van de kapitalistische verhoudingen die de basisprincipes van de democratie en de (markt) eerlijkheid zijn, de kritiek van de loonarbeid, staat en het kapitaal zijn volledig afwezig. Voor ons is elke handel is een handel van de menselijke armoede, voor ons zijn alle staten gevangenissen, voor ons is de kapitalistische wereld een voorwaarde voor een kapitalistische oorlog, voor ons is democratie de politieke vorm van heerschappij van de dictatuur van het kapitaal. 

Tegen de vrijheid en gelijkheid van het kapitaal!

Verder schrijven de organisatoren van de protesten “over samenleving van mensen op basis van solidariteit en gelijkheid” en “een wereld zonder oorlog”. Maar onder kapitalistische verhoudingen is het simpelweg niet mogelijk omdat de basis van deze verhoudingen de kapitalistische concurrentie is zowel tussen verschillende landen als tussen grote bedrijven en de arbeiders zelf. Deze maatschappij is in een permanente crisis, die een sociale oorlog betekent tegen ons en onze arbeidsvoorwaarden en het leven.In een van de overige beroepen onder de naam “Make Capitalism History” zegt men aan de ene kant dat het niet om het “verbeteren kapitalisme” gaat maar aan de andere kant wordt er geëist voor een “wereldwijde vrijheid van beweging”, “absolute bestaansminimum” en “globale sociale rechten”. Maar wat hebben zulke eisen en de wens “Make Capitalism History” gemeen? Zij eisen nog “gelijke rechten en normen over de hele wereld”. Onder deze rechten vallen het recht om onze arbeidskracht te verkopen, ons recht op sociale woningbouw en werkloosheidsuitkering. Dit alles is gepresenteerd als het mindere kwaad. Maar is dat echt alles wat we willen in het leven?Van linksen kunt u ook vaak horen dat de “G8” is een “zelfbenoemde en illegale wereld van de overheid zonder democratische legitimiteit”. Maar wat zou veranderen in het beleid of de gemeenschapbetrekking als we onze eigen heersers en bazen in een democratische manier gekozen zouden hebben? Zouden er geen uitbuiting en vernedering zijn?

Het kapitalisme breekt niet door middel van demonstraties
Het probleem is niet in de G8. De dagelijkse uitbuiting bestond al lang voordat de “Grote Acht” ontstond. Ook onze ellendige situatie is niet het resultaat van een aantal fouten van managers. Kapitalisme is een systeem van sociale verhoudingen die vernietigd kunnen worden door een concrete maatschappelijke strijd. Dit is geen vergadering die geblokkeerd kan worden of een product dat geboycot kan worden.We hebben geen markt nodig om te begrijpen wat onze behoeftes zijn, noch de staat en het kapitaal om hen te bevredigen. Integendeel, we moeten voor onze behoeftes de staat, markt en kapitaal afschaffen. We hebben geen (alternatieve) politici nodig, die voor ons zeggen of een sociale staat, die zorg neemt voor ons. Het bevrijden uit de armoede kunnen alleen wij zelf. De echte strijd tegen het kapitalisme begint aan de andere kant van het dagelijkse toneelstuk. Onze toekomst zien wij niet in de hervorming van het kapitalisme maar in de vernietiging van het kapitalistisch systeem en de economie.