De Februarirevolutie van 1917 was een klassiek voorbeeld van zelfgeorganiseerde proletarische klassenstrijd van het hoogste potentieel. Het proletariaat van Petrograd ging zelfstandig de strijd aan en verpletterde het verrotte tsaristische regime. Geen enkele partij of vakbond had tot deze enorme massastrijd opgeroepen. De geproletariseerde mensen van de toenmalige Russische hoofdstad gaven een goed voorbeeld van de directe sociale zelforganisatie, waarin de directe actie en het organiseren van deze actie samenvallen. Er werd geen democratische stemming voor de actie georganiseerd, de actie was de praktische stemming. Alle groot- en kleinburgerlijke burgermannetjes – met inbegrip van de meeste partijmarxisten – kunnen hierin slechts “spontaniteit” zien maar niet de directe sociale zelforganisatie van het strijdende proletariaat.

In deze directe actie van het Petrogradse proletariaat heeft de in de totale klasse betrekkelijk dunne laag van bewuste sociale revolutionaire arbeidSTers een zeer belangrijke rol gespeeld, die tevens de proletarische vleugels van het marxisme en het anarchisme vertegenwoordigde. Die heeft de meerderheid van de klasse geïnspireerd tot de daad en aan deze daad richting en oriëntatie toegevoegd.

Vanzelfsprekend is de directe sociale zelforganisatie en de directe massaorganisatie van het proletariaat niet voldoende voor de overwinning van de sociale revolutie d.w.z. de opheffing van de politiek en de warenproductie en daarmee de zelfopheffing van het proletariaat. Opheffing van de warenproductie betekent het overbrengen van de productiemiddelen in de totaal maatschappelijke beschikkingsmacht en productieve activiteit voor de directe individuele en collectieve behoeften – en niet voor een anonieme markt waar de mensen op van elkaar gescheiden productieplaatsen geproduceerde waren ruilen tegen geld en het geld ruilen voor productiemiddelen en consumptiegoederen. Totaalmaatschappelijke productie betekent niet staatsproductie omdat de staat een hiërarchisch-bureaucratisch geweldsapparaat is en staatseigendom van industriële productiemiddelen slechts beschikkingsmacht van de staatsbureaucratie kan betekenen. Het proletariaat wordt door nationalisaties gereproduceerd als van de productiemiddelen gescheiden mensenmenigte die zijn collectieve arbeidskracht aan de staat moet verhuren – dit echter individueel.

Het partijmarxisme met zijn verstatelijking van productiemiddelen reproduceerde als politieke stroming de politiek als organisatie van de maatschappij door de staat en de warenproductie in staatskapitalistische vorm. Maar ook niet weinig sociaal revolutionaire arbeidSTers in toenmalige Rusland hadden staatskapitalistische illusies en volgden de kleinburgerlijke radicale politici, temeer er toen geen praktische proletarische ervaringen met een totaal staatskapitalisme bestonden, hoewel het anarchisme deels zeer duidelijk deze sociaalreactionaire tendensen van het marxisme aan het licht had gebracht.

De totaalmaatschappelijke productie kan ook nooit ​​uit een associatie van kleine privéeigenaren bestaan. De post-kapitalistische klassen- en stateloze maatschappij kan zich ook niet op basis van de oude oorspronkelijke prekapitalistische dorpsgemeenschappen zoals bijvoorbeeld de Allmende of de Mir ontwikkelen – zelfs als mens daarbij het geld “afschaft” en loonarbeid “verbiedt”. Klein eigendom betekent altijd kleinburgerlijk individualisme, concurrentie en sociale differentiatie in kapitaal aan de ene kant, in dit geval grote boerINNen, en aan de andere kant loonarbeid, knechten en meiden. De sociale differentiatie van de Sovjet-boeren tijdens de N.E.P. (1921-1928) en de ontwikkeling van een boeren warenproductie en embryonale loonarbeid aan de andere kant, bevestigen dit eenduidig.

Vermaatschappelijking van de landbouwproductie betekent collectivisatie van de grond. Maar slechts een minderheid van de kleine boeren en het landelijke proletariaat was tijdens de Russische revolutie klaar voor een dergelijke collectivisatie. Daarom was in Rusland een zegevierende sociale revolutie vanwege de privéproducerende boeren onmogelijk. De weinige vrijwillige coöperaties voor de verstatelijking van de landbouw van 1929 waren een duidelijk teken hiervan. Coöperaties kunnen in dit geval slechts een kleinburgerlijk-collectieve vorm van warenproductie betekenen. Anarchistische en deels ook Marxistische sociaalromantici willen gewoonweg niet begrijpen dat de prekapitalistische kleinburgerlijke productieverhoudingen nooit deugen voor de opbouw van het postkapitalistisch communisme! Het marxisme bekritiseerde en bekritiseert terecht op deze kleinburgerlijke tendenties van het anarchisme. Tegenwoordig zijn zowel de anarchistische zelfbeheerideologie als de idealisering van de kleinburgerlijk-collectieve vormen van industriële productie gevaarlijke geestelijke wapens tegen het proletariaat. Wat interesseert het de anarchistische kleinburgers het feit dat bij productie in “zelfbeheer” er nog steeds waren voor de markt worden geproduceerd en dat de waar-geld relatie het menselijk denken en handelen bepaalt?

Naast de agrarische boerenopstand, die naar de transformatie van de grote landgoederen in kleine eigendom streefde, kon ook het instinctieve streven van de arbeidSTersklasse naar de collectivisatie van de industriële productie alleen maar tot een kleinburgerlijke collectieve warenproductie leiden. Want de kleinburgerlijke productieverhoudingen in de landbouw betekenen dat de landbouwproducten slechts ruilobjecten kunnen zijn die voor industriële producten ingewisseld kunnen worden – ook als menS het geld zou “afschaffen”. Dan zou er evengoed slechts een prekapitalistische ruilhandel geweest zijn – voor een korte tijd, want de uitwisseling van producten reproduceert noodzakelijk het geld als verzelfstandigde uitdrukking van de ruilwaarde. Dat wil zeggen dat in de ruil met het dorp ook bij een kleinburgerlijke collectivisatie van de industriële productie de producten daarvan noodzakelijkerwijs waren zouden zijn.

Het proletariaat kon dus objectief de kleinburgerlijke warenproductie niet opheffen, zelfs niet bij onteigening van het grootkapitaal, omdat de boerenmeerderheid van de bevolking tijdens hun agrarische opstand als deel van de Russische Revolutie de schepping van het kleine privé-eigendom nastreefde. Bovendien, leidt het instinctieve streven van de arbeidSTers naar de collectieve overname van industriële productiemiddelen onvermijdelijk tot de kleinburgerlijke collectieve vorm van de warenproductie als dit niet door het bewuste initiatief van de op dit punt heldere proletarische revolutionairen, omslaat in theoretische en praktische kritiek op sociaaleconomische categorieën als ruil, waren en geld. Maar bij de toenmalige Russische en internationale proletarische revolutionairen was de theoretische kennis van de warenproductie geringer dan heden. Maar zonder de theoretische kritiek op warenproductie leidt het alleen maar instinctieve proletarische streven naar collectivisatie van de industriële productie in praktijk onvermijdelijk tot kleinburgerlijk-collectieve productie en mentaal tot de ideologie van zelfbeheer. Tijdens de Russische Revolutie was de privékapitalistische en staatskapitalistische contrarevolutie in staat om met inzet alle middelen het ontstaan ​​van een kleinburgerlijk-collectieve industriële productie te voorkomen. Maar de ideologie van zelfbeheer in vervolg op de Februarirevolutie werd instinctief door grote delen van het proletariaat gereproduceerd terwijl de meest verschillende anarchistische en linksbolsjewistische stromingen een hele theorievorming op dit kleinburgerlijke fundament oprichtten.

Alleen onverbeterlijke kleinburgerlijk-anarchistische sociaal-romantici kunnen tegenwoordig na al deze praktische ervaring nog steeds geloven dat menS kan op basis van kleine eigenaren – los van de vraag of het nu individuele of coöperatieve eigenaren zijn – en de noodzakelijke ruil van goederen tussen hen, het geld zou kunnen “afschaffen” en de loonarbeid zou kunnen “verbieden”. Ruilhandel betekent kleinburgerlijke warenproductie en kleinburgerlijke warenproductie betekent in kiemvorm kapitaal en loonarbeid. Ruilhandel in natura kon in de praktijk slechts een primitieve vorm van warenproductie en loonarbeid zijn. Maar stellen wij ons volgens de sociaalromantische voorstellingen van onze kleinburgerlijke anarchisten voor een moment een gemeenschap voor met individuele en coöperatieve kleine eigenaren die het geld heeft “afgeschaft” en loonarbeid “verboden”. Er gaat ooit het volgende gebeuren: een iets succesvollere boer slaagt er door zijn individuele arbeid en die van “zijn” familie niet meer in zijn hele land te bebouwen. Wat nu? Maar wacht, daar zijn twee boeren in de buurt, die van hun grond niet echt kunnen leven. Zij zouden toch bij hem kunnen werken, natuurlijk niet voor het geld, want dat is “afgeschaft”. Aldus werken de niet succesvolle boeren geheel vrijwillig voor de succesvollere boeren voor betaling in natura. Maar dat moet verboden worden! Verbod op het sociaaleconomische verschijnsel van de loonarbeid die met elementair geweld uit de kleinburgerlijke warenproductie opgroeit!

Evenzo is het ook met het geld, als verzelfstandigde vorm van ruilwaarde. De ruil van goederen genereert ook de behoefte aan de verzelfstandigde ruilwaarde. De ruilwaarde is de maatschappelijk gemiddelde productietijd van een product en de prijs is de ruilwaarde in geldvorm. Stellen wij ons nu de stad voor van het kleinburgerlijk-anarchistische paradijs van individuele en coöperatieve kleinburgers waarin het geld werd “afgeschaft”. Dit zou dan tot volgende ontwikkelingen leiden: de individuele gastheer van een restaurant-café wil weer eens zijn haar laten knippen. Hij begeeft zich naar de kappSTerscoöperatie. Hij heeft de kappSTers een krat bier meegebracht waarvoor een lid van de coöperatie zijn haar knipt. De coöperatie overlegt. Een uur geleden heeft een andere caféhouder een krat bier gebracht. Zo veel bier hebben ze niet nodig… Dit kan en moet op basis van het kleinburgerlijke eigendom en ruilhandel worden opgelost. Daarom betaalt de caféhouder in de werkelijkheid voor zijn kapsel in een kappSTerscoöperatie met geld, waartegen de kappSTers alles kunnen uitwisselen, wat zij nodig hebben. De “opheffing” van het geld op basis van de kleine eigendommen en ruilhandel is dus pure fantasie!

De Februarirevolutie kon om objectieve en subjectieve redenen duidelijk niet tot opheffing van de warenproductie leiden. Maar warenproductie betekent klassen- en concurrentiestrijd. Om te ​​zorgen dat zo’n maatschappij niet afglijdt in een voortdurende open burgeroorlog, heeft zij een schijnbaar neutrale scheidsrechter nodig met regels voor de concurrentie- en klassenstrijd, en een instelling, die deze regels verwezenlijkt. Deze schijnbaar neutrale scheidsrechter, die in werkelijkheid alleen het machtsorgaan van de succesvolle kapitalistische warenproducenten kan zijn, is de burgerlijke staat. Warenproductie betekent dus altijd burgerlijke politiek als sociale organisatie. De Februarirevolutie kon om objectieve redenen niet tot de vernietiging van de staat door het proletariaat leiden. Omdat een zegevierende sociale revolutie zonder de opheffing van de politiek onmogelijk is, kon het toenmalige Russische proletariaat in februari 1917 objectief niet winnen. Het moest noodzakelijkerwijs door de politieke contrarevolutie verslagen worden. Maar de contrarevolutie moest de politieke vorm veranderen, want met de Tsaar liet zich geen politiek tegen het subjectief revolutionaire proletariaat maken.

De liberale bourgeoisie had echter een tijdje nodig om te beseffen dat het met de monarchie in Rusland voorbij was. Dat is begrijpelijk want zij was zonder het gekroonde hoofd bang voor het proletariaat. De grootburgerlijke politici waren door de Februarirevolutie in een zeer moeilijke situatie terecht gekomen. Noch de tsaristische reactie noch het subjectief revolutionaire proletariaat bekommerde zich om de behoeftes van de bourgeoisie en hun politieke personeel. Maar gelukkig voor het Russische privékapitaal en zijn grootburgerlijke beroepspolitici, zorgden de mensjewistische en de “sociaalrevolutionaire” beroepspolitici op ontroerende wijze voor de sociale en politieke behoeftes van de bourgeoisie. De mensjewieken konden als politieke belangenbehartigSTers van de arbeidSTersklasse in het begin ook nog op de proletarische illusies onder hen steunen, terwijl de “sociaаlrevolutionairen” als politici die de hervorming van het grootgrondbezit leken voor te staan, de illusies van de boeren en met name de boerensoldaten konden uitbuiten. In hun eigen belang en in het belang van de bourgeoisie en haar grootburgerlijke politieke personeel.

De mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” politici gingen dan ook op 27 februari 1917 objectief over tot de offensieve contrarevolutie. Daarbij konden ze gebruik maken van de glans van de arbeidSTersraden (sovjets) van de revolutie van 1905. Zoals we al in detail hierboven beschreven, was de organisatievorm van de Petrogradse proletariaat tijdens de Februarirevolutie de directe sociale organisatie waarin de daad en de organisatie van de daad direct samenvielen. De Februarirevolutie bewees de sociale explosiviteit van de directe proletarische zelforganisatie en van haar strijdbare vorm, de dictatuur van het proletariaat. Maar de Februarirevolutie wierp “slechts” de Tsaar omver, de directe proletarische zelforganisatie was niet in staat om het kapitalisme af te schaffen. Daarvoor heeft het proletariaat een maximum aan organisatie en bewustzijn nodig. De proletarische klassenstrijd begint heel vaak in de vorm van directe sociale zelforganisatie. Maar een lange aanhoudende klassenstrijd en vooral de klassenoverwinnende strijd vereist officiële organen van de proletarische zelforganisatie en dictatuur. In 1905 waren dit de arbeidersraden (sovjets).

Terwijl het subjectief revolutionaire proletariaat in de straten van Petrograd nog zijn overwinning over het tsarisme verstevigde, werd op 27 februari in het Taurische paleis in Petrograd het Uitvoerend Comité van de Sovjets geschapen door voornamelijk kleinburgerlijke intellectuelen en door mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” politici, een puur politiek gedachtenspinsel. Dit in tegenstelling tot de Sovjets van 1905, die echte klassenstrijdorganen van het proletariaat waren, ook al stonden ze eveneens onder de invloed van het partijmarxistische kleinburgerlijke radicalisme. Na dit gedachtenspinsel werden vervolgens ook lokale sovjets gevormd die meer onder invloed van de proletarische klassenstrijd stonden.

Het hele Sovjetssysteem van 1917 was inderdaad ernstig misvormd door kleinburgerlijk-democratische en kleinburgerlijk-radicale beroepspolitici. Met deze vaststelling willen we het radenfetisjisme ontmaskeren, dat bij de toenmalige sociaalrevolutionairen gedeeltelijk heel sterk naar voren kwam en dat door het latere radicaal-marxistische radencommunisme werd geïdeologiseerd. De toenmalige Russische sovjets van 1917 benaderden in wezen meer de kleinburgerlijke voorstellingen van “arbeidSTersdemocratie” dan onze voorstellingen van klassenstrijdorganen van de proletarische revolutionaire zelforganisatie. Democratie is voor ons geen mooi ideaal maar de werkelijk bestaande dictatuur van het kapitaal. “ArbeidSTersdemocratie” is al een contradictio in terminis. “ArbeidSTersvolksheerschappij”! In de volksheerschappij zonder voorvoegsel is het volk een mensenmassa zonder aanduiding van klasse. Dat wil zeggen de democratie is een ideologische volksheerschappij waarachter zich de echte sociale klassenheerschappij van de bourgeoisie en haar politieke personeel verbergt. In het begrip “arbeidSTersdemocratie” wordt het wat betreft klassensamenstelling niet verder bepaalde volk versmolten met het begrip de arbeidSTersklasse en wordt een subject van een heerschappij. Maar het proletariaat kan door een sociale revolutie geen nieuwe heerschappij oprichten maar door zijn revolutionaire dictatuur “slechts” de burgerlijke staat vernietigen om vervolgens een vereniging van vrije producenten plaats te maken. Na een zegevierende wereldrevolutie als een permanente keten van vernietigingen van kapitalistische natiestaten is er geen arbeidSTersklasse, noch haar heerschappij. De sociale wereldrevolutie verwezenlijkt niet kleinburgerlijke voorstellingen van democratie maar draagt ze definitief ten grave.

De “arbeidSTersdemocratie” kan in de werkelijkheid alleen maar een kleinburgerlijke democratie zijn waarin de proletarische basis het stemvee van kleinburgerlijke beroepspolitici is. De Russische sovjets van 1917 waren in wezen ook niets anders. In deze organen stoeiden sociaaldemocratische – zowel mensjewieken als bolsjewieken – en “sociaalrevolutionaire” partijpolitici, die door arbeidSTers en boerensoldaten verkozen werden. De sovjets waren de belichaming van een kleinburgerlijk parlementarisme. Inderdaad stonden de sovjetdemocratie anderzijds onder enorme druk, namelijk die van een proletariaat dat hevig klassenstrijd voerde en subjectief sociaalrevolutionair was. Dit maakte dat de sovjets een tegenstrijdige mengelmoes waren van kleinburgerlijke democratie en kiemvormen van proletarische zelforganisatie. De kleinburgerlijk-democratische tendensen van de sovjets belichaamden de mentale zwakheden van het subjectief revolutionaire Russische proletariaat, terwijl hun kracht in de sovjetdemocratie slechts een politiek en ideologisch vervreemde vorm kon aannemen.

Nogmaals, in alle helderheid: De sovjets van 1917 waren praktisch gezien geen sociaalrevolutionaire organen van de proletarische klassenstrijd. Tegenwoordig staan sociaalrevolutionairen op het standpunt dat beroepspolitici in de organen van de proletarische klassenstrijdzelforganisatie niets te zoeken hebben. Want de sociale revolutie kan alleen de vernietiging van de burgerlijke staat betekenen, terwijl alle beroepspolitici slechts de staat kunnen reproduceren. De sovjetdemocratie van 1917 was niets anders dan de heerschappij van kleinburgerlijke democraten over het klassenstrijd voerende proletariaat. Maar deze heerschappij van de beroepspolitici in de sovjets was alleen mogelijk omdat het proletariaat in zijn meerderheid toen nog niet bewust antipolitiek was. Tegenwoordig zijn sociaalrevolutionaire intellectuelen en proletariërs of bewust antipolitiek of zij zijn duidelijk objectief niet sociaalrevolutionair. Dit heeft ons onder andere de Russische Revolutie geleerd.

De kleinburgerlijke democraten (mensjewieken en de “sociaalrevolutionairen”) hadden na de overwinning van de proletarische klassenstrijd en de soldatenrebellie maar één zorg, namelijk heel snel de politieke heerschappij te overhandigen aan de liberale bourgeoisie. Deze liberale bourgeoisie stond vanaf het begin vijandig tegenover de Februarirevolutie. De liberale Cadettenpartij was een bewuste klassenvijand van het subjectief revolutionaire proletariaat en streefde voor de Februarirevolutie naar een constitutionele monarchie, een tsaar die onder parlementaire controle stond. Van de sovjets en hun leiders verwachtte de liberale bourgeoisie en haar politieke personeel alle mogelijke onheil, maar zeker niet de satirische grap, dat zij door het kleinburgerlijk-democratische sovjetleiderschap werd gevraagd om de politieke macht over te nemen. Want volgens de marxistische ideologie van de mensjewieken was de Russische Revolutie een burgerlijke revolutie waarin de liberale bourgeoisie “logischerwijs” de politieke macht moest overnemen. In werkelijkheid kon deze politieke overname van de Russische liberale bourgeoisie alleen de sociale contrarevolutie belichamen, ongeacht het feit dat in het toenmalige Rusland een zegevierende sociale revolutie onmogelijk was.

De liberale bourgeoisie en haar politieke personeel herstelden zich snel van de verrassing toen zij door de kleinburgerlijk-democratische sovjetleiding werden gevraagd de macht over te nemen. Maar de Cadettenpartij onder leiding van Miljoekov probeerde, toen de oude tsaar al niet meer te redden was, dan tenminste het tsarisme te redden met een nieuwe tsaar. Een heel mooi toneelstukje van burgerlijke pragmatische politiek! Terwijl de Russische kleinburgers in de kont van de liberale bourgeoisie kropen, toonde deze feodale aristocratie op haar beurt slechts minachting voor de liberale bourgeoisie en flikflooide liever met de feodale aristocratie. Maar met de reproductie van het tsarisme door een nieuwe tsaar was niet langer een succesvoll contrarevolutionair politiek tegen het proletariaat te voeren. Daarom zetten de cadetten hun monarchisme voorlopig in de ijskast, en konden daarna in maart 1917 het Voorlopig Comité van de Duma voor een Voorlopige Regering als een machtsorgaan van de liberale bourgeoisie en de grootgrondbezitters vormen, die door de “sociaalrevolutionair” Kerenski als minister van Justitie werd gegarneerd. Maar de andere mensjewistische en “sociaalrevolutionaire” beroepspolitici gaven er de voorkeur aan om de Sovjets te beheersen en door deze zowel als de Voorlopige Regering te steunen, een zachte druk op haar uit te oefenen.

Het resultaat van de Februarirevolutie was een dubbele macht met enerzijds de Voorlopige Regering en anderzijds de politiek gedeformeerde organen van de proletarische zelforganisatie. De voorlopige regering was ondubbelzinnig sociaalreactionair. Zij zette de imperialistische oorlog voort en vertraagde de landhervorming, terwijl de Sovjets in de handen van de kleinburgerlijke beroepspolitici waren, maar ook onder druk stonden van hun proletarische en soldaten (boeren) basis en op die manier gedeeltelijk tot organen van proletarische klassenstrijd werden. In de fabrieken schiepen de arbeidSTers hun eigen organen in de vorm van de fabriekcomités. Deze kwamen het sterkst met de bourgeoisie en de mensjewieken/“sociaalrevolutionairen” in conflict, omdat zij de zelforganisatie van de arbeidSTersklasse waren. De fabriekscomités creëerden ook de Rode Garde, een gewapende arbeidSTersmilitie, die een militante uitdrukking van de proletarische zelforganisatie was, dat wil zeggen een orgaan van de dictatuur van het proletariaat in aanzet.

Maar de fabriekscomités en de Rode Garde stonden helaas onder de invloed van de kleinburgerlijk-democratische (mensjewieken en rechts “sociaalrevolutionairen”) en later kleinburgerlijk-radicale politici (bolsjewieken en “linkse sociaalrevolutionairen”). Omdat deze organen van dictatuur van het proletariaat in de kiem niet bewust antipolitiek waren, konden ze uiteindelijk door bolsjewistische beroepspolitici tijdens het creëren van een staatskapitalistische partijdictatuur geliquideerd worden. Ook al was de revolutionaire zelfopheffing van het proletariaat, dat wil zeggen, de overgang van de proletarische naar de klassenloze zelforganisatie, vanwege de sociale zwakte van de Russische arbeidSTersklasse objectief onmogelijk, dan had het Russische proletariaat bij nog grotere sociaalrevolutionaire helderheid een nog heroïschere nederlaag tegen de kapitalistische contrarevolutie kunnen lijden. En de mogelijke overwinning van het revolutionaire wereldproletariaat wordt ook daar door heldhaftige nederlagen voorbereid, waar een overwinning nog objectief onmogelijk is. Dit is de dialectiek van de objectieve en subjectieve voorwaarden van het wereldrevolutionaire proces, dat eenduidig het verstand van de marxistische en anarchistische kleine geesten te boven gaat.

Maar het wereldproletariaat had voor 1917 geen ervaring kunnen opdoen met een openlijk contrarevolutionair optredende internationale sociaaldemocratie met inbegrip van grote delen van zijn linkervleugel, het Bolsjewisme. De talrijke praktische ervaringen, die het wereldproletariaat sindsdien met de sociaaldemocratische en “communistische” beroepspolitici kon opdoen, heeft het postmarxistische en postanarchistische communisme in theorie een duidelijk antipolitiek bewustzijn gegeven. Als dit antipolitiek bewustzijn in een sociale wereldrevolutie tot een materiële kracht wordt, wee dan de politici van het kapitaal!

De geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging verdedig(de)t het democratische kapitalisme

In ons laatste artikel over de Spaanse Burgeroorlog hebben we ons gericht op de contrarevolutionaire rol van de geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging tijdens de gebeurtenissen van mei 1937 in Barcelona. Het artikel geeft ook een kritiek op de rol van de CNT in de “collectivisatie” van de economie in het kader van de staat, de kapitalistische warenproductie en in het belang van de kapitalistisch-antifascistische oorlog. Op het eind hebben we ons ook tot  alle subjectief eerlijk sociale activisten en activisten met het vermaan om te leren uit de geschiedenis, de kleinburgerlijke linkse moeras te verlaten en gaan naar de kant van de sociale revolutie.

Nadat wij in onze vorige teksten de nederlaag van de republikeins-stalinistische blok in de burgeroorlog schilderden, willen we nu de succesvolle contrarevolutie van dit blok tegen de klassenstrijdige proletariaat beschrijven. Deze contrarevolutie voldeed aan zowel de algemene ontwikkelingstendenties van het antifascisme als de geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging. Het antifascisme is de ideologie en de praktijk van de verdediging van de democratie tegen het fascisme en aanverwante regeringsvormen, zoals bijvoorbeeld het franquisme. Maar de democratie is ook een politieke uitdrukking van het sociaalreactionaire dictatuur van het kapitaal. De geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging reproduceerde en reproduceert de kapitalistische klassenmaatschappij in de vorm van burgerlijk-bureaucratische apparaten en een arbeidSTersbasis. Deze bourgeois-bureaucratische apparaten zijn structureel niet in staat en bereid om de sociale revolutie te organiseren, maar ze moeten vanuit hun eigen belangen de sociaalreactionaire democratie tegen het fascisme of soortgelijk regime, die de geïnstitutionaliseerde arbeidSTersbeweging willen stukslaan, verdedigen. Echter een strijd tegen de fascistische en soortgelijke stromingen vanuit democratische posities is inconsequent, maar tegen het proletariaat deze strijd moet met alle contrarevolutionaire kracht worden uitgevoerd.

Vooral Moskou wilde tijdens de Spaanse Burgeroorlog de democratische bourgeoisie in en buiten Spanje zijn contrarevolutionaire betrouwbaarheid demonstreren – en door de militaire staatsgreep enorm verzwakte republikeinen hadden Stalin als een ervaren beul tegen het proletariaat nodig. Zo eiste Stalin in een brief aan de toenmalige Spaanse premier Caballero het privébezit van de productiemiddelen in ieder geval te beschermen. Het stalinisme bracht de contrarevolutionaire gevolg van antifascisme slechts het sterkst tot uiting, zo werd het de voorhoede van de republikeins-democratische contrarevolutie. Maar ook de sociaaldemocratische PSOE, de “anarcho” -democratische CNT en FAI evenals de POUM waren een deel van deze democratisch-antifascistische contrarevolutie. Laatstgenoemden vormden de libertaire en marxistische staart van het sociaal reactionaire Volksfront. Toch de succesvolle contrarevolutie richtte zich ook tegen hun nietige vertegenwoordigers. Het kleinburgerlijk-anarchistische moralisme kan dit gedrag van zijn vroegere antifascistische bondgenoot slechts met “intolerantie” verklaren. Ja, bloedige intolerantie tegen het proletariaat was en is het handelsmerk van de contrarevolutie, zoals “tolerantie” tegenover deze contrarevolutie is het handelsmerk sociaal- en “anarcho”-demokratische flikflooier! Read the rest of this entry »

In ons vierde artikel van de burgeroorlog in Spanje gaan wij hebben over de imperialistische machten, die bij dit binnenskapitalistische conflict betrokken waren. We hebben ook geprobeerd materialistische sociaal revolutionaire analyse van de opkomst en afloop dit kapitalistisch- antifascistische oorlog in Spanje te doen. Aan het eind van het artikel hebben we het aantal slachtoffers van het binnenskapitalistische bloedbad en het daaropvolgende terreur regime van Franco gegeven.

Onze belangrijkste punt van de analyse van de Spaanse burgeroorlog is, dat hij van beide kanten kapitalistisch-reactionaire was – zelfs ondanks het feit, dat aan de antifascistische kant, vooral in de CNT en de POUM milities subjectief eerlijk arbeid(st)ers hebben gestreden. Want juist deze arbeid(st)ers werden door de antifascistische contrarevolutie in een binnenskapitalistische oorlog vernietigd. Pas in de tweede plaats analyseren we, dat deze oorlog door de fascistisch-franquistische kant consequent en door de democratisch-stalinistisch-antifascistische kant wezenlijk inconsequenter werd uitgevoerd. Dat lag eraan, dat het fascisme de meest consequente vorm van de kapitalistische sociale reactie was, d.w.z., door zijn ultra fanatieke overdrijving. Het zwakke Spaanse nationaalkapitaal, die koortsig midden van een ernstige economische crisis en een klassenstrijdige proletariaat was, rekende op deze ultra fanatieke contrarevolutionaire  overdrijving – franquisme. De republikeinen waren beijverd om het vertrouwen van de bourgeoisie terug te winnen. Daarom gingen zij met behulp van de stalinisten met volle kracht tegen het klassenstrijdige proletariaat en de linkervleugel van de anti-fascistische Volksfront voor, om de bourgeoisie te zeggen: Kijk, U heeft Franco niet nodig! Maar Franco was nog consequenter reactionair. Zo riep de bourgeoisie aan de democratische politici en de stalinisten door hun praktijk: We hebben jullie niet nodig!

De Franse en de Britse bourgeoisie, wier naar gunste het hele Volksfront dingde – met inbegrip van “anarcho”-democraten van de CNT – was meer geneigd tot Franco. Maar de beide democratieën verborgen aan het begin van het binnenskapitalistische conflict in Spanje hun duidelijke sympathie voor de putschende generaals achter de frasen “non-interventie”. Daartoe riepen zij ook andere imperialistische machten op. 27 landen – inclusief de Italiaanse, Duitse en sovjets imperialisme – richtten dan ook op 9 september 1936, het “Non-Interventie-Comité” op. Onder dit masker van “non-interventie” ondersteunden het Italiaanse en Duitse fascisme eerst geheim de putschende generaals. Maar geleidelijk liet vooral het Italiaanse fascisme dit masker vallen. Zo schreef Mussolini’s centrale orgaan Roma Fascista op 2 december 1936: “De farce van non-interventie is voorbij. Voor ons is zij nooit begonnen. We strijden in Spanje, die op dit moment de meest blakende deel van onze oorlog is.” Maar Engeland en Frankrijk hielden aan deze farce van “non-interventie” vast – tot zij in 27 februari 1939 openlijk het Franco’s regime erkenden, hoewel de burgeroorlog nog niet voorbij was. Read the rest of this entry »

We gaan door met onze serie artikelen onder de titel “De Spaanse Burgeroorlog als een binnenskapitalistische conflict” en vandaag willen we de machtkomst van het Volksfront regering analyseren, de daaropvolgende generaals staatsgreep en als een antwoord op deze het ontstaan van onder partijen en vakbonden gecontroleerde arbeid(st)ersmilities. In dit artikel hebben we geprobeerd voor te stellen hoe en op welke manier in de toenmalige situatie in Spanje een denkbeeldige sociaal-revolutionaire stroming in de strijd tegen sociaalreactionaire antifascisme en Franco’s sociale reactie zou moeten optreden.

Nadat de regering van de Radicale Partij en de klerikaal-fascistische CEDA zich in de klassenstrijd tegen het proletariaat uitgeput heeft, was in februari 1936 de tijd voor de linkervleugel van de bourgeoisie had gedragen, die republikeinen en de partij- en vakbondbazen van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging – met inbegrip van de CNT bureaucratie – gekomen, om in de vorming van het kapitalistische politiek de rechtervleugel te vervangen. Bij de Socialistische Partij waren de tijden, waarin zij zich frasen over “revolutie” en “dictatuur van het proletariaat” bedwelmde, in januari 1936 uiteindelijk voorbij. Net als bij de stalinisten, de “Derde Periode”, waarin zij hun reactionaire karakter achter nog radicaler klinkende frasen verborgen. Sinds 1935 was de P“C”E net als de hele “Communistische” International op volksfront allianties met de democratische vleugel van de bourgeoisie tegen het proletariaat en tegen het fascisme beëdigd. Ook de trotskistische “linkse communisten”, was er intussen niet meer. Ze hadden zich met de rechts- “communistische” arbeid(st)er- en boerenblok in september 1935 tot de Partido Obrero de Unification Marxista (POUM, Arbeid(st)ers Partij van de Marxistische Eenheid) aaneengesloten. De POUM was duidelijk niet trotskistische, maar werd zo door de stalinisten genoemd. De aanhangers van Trotski vormden tot voorjaar 1937 een kleine minderheid in deze partij. Ook de rechtervleugel van het anarchosyndicalisme baarde een politieke partij, de Syndicalistische Party. Deze door Pestana geleide formatie was de geïnstitutionaliseerde ontkenning van de progressieve antiparlementair-antipolitiek-staatsvijandige  tendensen van het anarchisme.

De stalinisten, socialisten, de POUM en de Syndicalistische partij ondertekenden in januari 1936 met de republikeinse partijen, de republikeinse Links, de Republikeinse Unie en de Catalaanse ERC een electorale alliantie – de Frente Popular (Volksfront). Dit Volksfront was een open sociaalreactionaire pact van de geïnstitutionaliseerd arbeid(st)ersbeweging met de republikeinse vleugel van de bourgeoisie. Zelf de CNT riep bij de verkiezingen in februari 1936 niet meer voor een boycot op. Nadat deze vakbond sektarisch het proletariaat tijdens de algemene staking in oktober 1934 gesplitst had, paste zij zich tot het bittere einde opportunistisch-sociaalreactionaire aan de linkervleugel van de bourgeoisie aan. Hoewel de POUM het verkiezingsmanifest ondertekende, scheidde zich maar weer van het Volksfront. Deze schommeling van de POUM was geen tactische wijsheid, hoe hun bureaucratie beweerde, maar opportunistische aanpassing aan de linkervleugel van de bourgeoisie. De linkse handlangers van de bourgeoisie revancheerden zich met de POUM, doordat zij deze partij in juni 1937 stuksloeg… Read the rest of this entry »

We gaan door met onze serie artikelen onder de titel “De Spaanse Burgeroorlog als een binnenskapitalistischeconflict” en vandaag willen we de politieke strijd van boven- en de klassenstrijd van onder in 1931-1936 analyseren. In dit artikel hebben we ons gericht op de politieke partijen en vakbonden van deze periode en de subjectieve voorwaarden die nodig zijn voor de overwinning van de sociale revolutie. We gaven ook ons begrip van de gezamenlijke sociale actie van het proletariaat, vertelden over de militante strijd van het Spaanse proletariaat tegen de klerikale-fascisme en over de proletarische opstand in oktober 1934 in Asturië.

Na ons kort inzicht in de geschiedenis van de Spaanse kapitalisme, willen we nu de klassenstrijd tussen het uitroepen van de Republiek en de staatsgreep van de generaals in meer detail beschrijven. We zullen reeds in deze tekst op de partijen en de vakbonden van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging een radicale kritiek onderwerpen. Daarnaast proberen we ook te beschrijven hoe vanuit ons huidige gezichtspunt echt sociaalrevolutionaire groepen en stromingen zich zouden moeten gedragen. Deze uitbeelding toont ons als proletarische revolutionairen in tegenstelling tot de ordelijke betaalde professionele wetenschappers. In ieder geval deze benadering is ook niet onproblematisch. Het is niet omdat onze huidige positie het toen überhaupt niet zou hebben gegeven. Echter, de fundament van onze huidige revolutionaire standpunten was er toen al, belichaamde in het partij- en vakbondvijandelijke radencommunisme en in de scherpe democratie- en antifascisme-kritiek van de partijachtige Italiaanse linkscommunisme. Maar in Spanje waren er deze stromingen toen niet. De afwezigheid van linker- of radencommunistische stromingen is nogal een uitdrukking van de klassenstrijd en klassenbewustzijn van het toenmalige proletariaat in Spanje geweest. Het is niet onproblematisch, wanneer we het naar onze huidige mening noodzakelijke gedrag van toen niet in Spanje bestaande bewust revolutionaire stromingen proberen te beschrijven. Maar we doen het toch gewoon, omdat we niet kleinburgerlijke kamergeleerden, maar proletarische revolutionairen zijn. Zo was er in 1931, toen het Spaanse kapitalisme zijn politieke heerschapvorm van monarchie naar een democratische republiek omvormde, geen bewuste sociaalrevolutionaire stroming, die met een radicale en materialistische politiek- en democratie-kritiek de illusies van de arbeid(st)ersklasse en met een duidelijke oriëntatie tegengegaan op de zelfgeorganiseerde klassenstrijd en de militante vorm – de proletarische dictatuur – die duidelijke signalen zou hebben gegeven. Er was slechts één geïnstitutionaliseerd arbeid(st)ersbeweging met hun partijmarxistische en anarcho-syndicalistische organisaties en ideologieën, die tussen reactionaire sociaalreformisme en organisatie-egoïstische sektarisme hulpeloze heen en weer slingerde. Tijdens de parlementaire-sociaalreformistische Socialistische Partij in 1931 samen met republikeinse partijen een coalitieregering vormden, d.w.z. openlijk contrarevolutionair ageerde, bevond zich de P“C”E als de geheel Moskou horige ‘Communistische’ Internationaal in de zogenaamde “Derde Periode”. Gedurende deze tijd verhulde het officiële partij-“communisme” zijn fundamenteel sociaalreactionaire staatskapitalistische karakter met een verbaalradicalisme, die zich mentaal op een zeer laag niveau bevond. De stalinisten waren in structureel niet in staat, om de sociaaldemocratie materialistisch-revolutionair te bekritiseren, maar ze beschimpten dit totaal zwakzinnig als “sociaalfascistisch”. Ze weigerden zelfs organisatie-egoïstisch elke samenwerking met de andere organisaties van de geïnstitutionaliseerde arbeid(st)ersbeweging. Daardoor namen ze aan de politieke verdeeldheid van het proletariaat deel. Read the rest of this entry »

Voor de 80ste verjaardag van het begin van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) beginnen we een serie artikelen over deze belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de klassenstrijd. In ons eerste artikel willen we nauwkeurig verdiepen in de geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van het kapitalisme in Spanje. We analyseerden ook het ontstaan en de ontwikkeling van de Spaanse geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in de vorm van zogenaamde arbeiderspartijen en -vakbonden voor het binnenskapitalistische conflict.

De ontstaan en de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme

Om de Spaanse Burgeroorlog tussen 1936 en 1939 te begrijpen, moet men zich met de ontwikkeling van het Spaanse kapitalisme tot de “uitbraak” van deze binnenskapitalistische conflict bezighouden. Want de ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal niet in een luchtledige ruimte plaatsvond, maar in het kader van het wereldkapitalisme, zullen we deze wederzijdse betrekking in het oog houden. Voor de sociaal revolutionairen is het kapitaal in de eerste plaats een sociale verhouding tussen de bourgeoisie (min of meer groot landeigenaren, kapitalisten, hoge economische managers, hoog niveau professionele politici en hoge civiele en militaire ambtenaren) en het proletariaat (de loontrekkende arbeid(st)erklasse en de non-loon werkende bezitloze lagen), met de kleinburgerij (kleine boer(in)en, handwerk(st)ers en kleine handelaren als klassieke bezittende kleinburgerij met privébezit van de productiemiddelen, door de positie en onderwijs geprivilegieerde loon afhankelijke kleinburgerij [ingenieurs, politieagenten, artsen, docenten …] alsook kleine professionele politici die nog niet volledig door de bourgeoisie erkend zijn) als buffer. Dus geven we onze korte inzicht in de Spaanse kapitalisme als een verhaal van klassenstrijden. Net als de sociaal-economische ontwikkeling van het Spaanse nationale kapitaal alleen in de wederzijdse betrekking met de andere nationale kapitalen – die samen het wereldkapitaal vormen –  te begrijpen is, is de ontwikkeling van het proletariaat en de geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging in Spanje alleen in relatie tot het wereldproletariaat en de internationale geïnstitutionaliseerde arbeidersbeweging te begrijpen. We vertellen het verhaal van de Spaanse proletariaat als het ene deel van het wereldproletariaat.

Spanje gaf door de Europese “ontdekking” en kolonisatie van Amerika van de late 15de eeuw heel veel impulsen voor de ontwikkeling van het moderne wereldkapitalisme, als de Spaanse bourgeoisie voor zichzelf kon opstrijken. Door de grote Europese “ontdekkingen” – met Spanje als hun grote pionier – werden externe omstandigheden voor de groei van het continentale  handel- en financiële kapitaal gecreëerd. De productie was in deze tijd nog niet kapitalistisch maar feodal-landbouweerlijk in de landbouw en kleinburgerlijk in de steden. Maar de kleinburgerlijk geproduceerde goederen werden door het handelskapitaal naar verre markten verkocht. Door de koloniale uitplundering van Amerika belandden door de handelsbourgeoisie ook Amerikaanse producten op de Europese markten. Toch Spanje als heerser van Zuid-Amerika maakte niet de glanzende kapitalistische carrière door als Nederland de voormalige Spaanse kolonie en eerste handelsnatie en Groot-Brittannië als de eerste industriële natie. Dit kan alleen worden verklaard door het feit dat onder de invloed van interne en externe factoren van het kapitalisme in Spanje minder ontwikkeld was dan in Nederland of Groot Brittannië.

Een belangrijke factor in de ontwikkeling van het kapitalisme – in het begin in het kader van het feodalisme en dan buiten – was de verovering van de staatsmacht door de bourgeoisie, waardoor de politiek een burgerlijk politiek werd. Een overgangsvorm van de feodaal – nog sterk regionaal versplitst – staat in vergelijking met de moderne burgerlijke natiestaat was absolutisme. De regionale en provinciale edelenmacht wordt door het absolutisme ten gunste van de centrale macht van monarchen enorm beperkt. Dit centralisme was een belangrijke voorvorm van moderne burgerlijke staat die vanzelfsprekend van meteen aan begin als machtsapparaat van de bourgeoisie sociaalreactionair was. Toch de absolute machtaanmatiging van monarchen richtte zich niet alleen tegen de oude adel maar ook tegen de groeiende bourgeoisie. Daarom moest absolutisme als een overgangsfase tussen feodalisme en het kapitalisme overwonnen worden – door burgerlijke staatsvormen als constitutionele een dergelijke van de overheid (dwz, parlementairs controlerend) monarchie, democratische republiek of een militaire dictatuur. De eerste burgerlijke staatvormen werden door de Nederlandse en Engels bourgeoisie veroverd, waardoor zij de politieke voorwaarden voor de economische ontwikkeling van het kapitalisme schiepen. Read the rest of this entry »

In ons laatste artikel willen we ingaan op de aard, de rol en de functies van de vakbonden als de co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Vooral hebben we ons gericht op de activiteiten van de Vereniging van Duitse vakbonden (DGB) en zijn conflict met de individuele sectorale vakbonden buiten de DGB. In dit artikel hebben we ook bekeken een voorbeeld van het zogenaamde vakbondimperialisme naar het voorbeeld van de activiteiten van internationale niet-gouvernementele organisaties (INGO’s) in Bangladesh, die nauw met Amerikaanse vakbondvereniging (AFL-CIO) verbonden zijn en worden door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gefinancierd.

De burgerlijke staat in de klassenstrijd is in principe het machtapparaat van de bourgeoisie tegen het proletariaat. Ten eerste ageerde de bourgeoisie principieel illegaliserend en criminaliserend tegen de proletarische klassenstrijd en de vakbonden maar het gaf alleen de verdere radicalisering van het proletariaat. In een klassenmaatschappij waarin de sociaal heersende klasse de uitgebuite klasse uitbuit, kan de strijd van de laatste tegen de eerste niet succesvol verboden worden. Dat leerde ook de bourgeoisie in een lang sociaal leerproces. Door een democratisch strijkrecht die het monopolie van de werkonderbreking in de handen van de burgerlijk-bureaucratische vakbondsapparaten ligt, precies bepaalt, wanneer gestaakt mag worden en wanneer niet, is de klassenstrijd veel succesvoller in te dammen dan door een algeheel verbod.

Door de staat verleende recht op vrije loonvorming worden de grote vakbondapparaten co-managers van de kapitalistische uitbuiting. Zo stellen in Duitsland de DGB en enkele andere vakbonden door collectieve arbeidsovereenkomsten de arbeidstijden, lonen en andere arbeidsvoorwaarden van het proletariaat vast. Het ideaal van deze sociale partnerschap tussen economische bazen en vakbondbazen is om al eens aan de onderhandelingstafel te worden, zodat stakingen niet nodig zijn. Komen de sociale partners toch niet overeen, dan wordt een “tariefuiteenzetting”, d.w.z. wordt de democratisch gecastreerde en vakbondsbureaucratische klassenstrijd vernederd, onvermijdelijk.

Voor een tariefuiteenzetting kan in Duitsland door de bevoegde vakbond doorgaans een stemming uitgevoerd worden. Minstens 75% van alle vakbondsleden moeten voor een werkonderbreking stemmen, dan wordt het werkelijkheid. Maar dat is een facultatieve bepaling, de vakbondapparaten kunnen ook volledig willekeurig staking beslissen en net zo willekeurig beëindigen zoals de diensten vakbond ver.di tijdens de poststaking in Duitsland in 2015 deed. Tijdens een vakbondsuitgevoerde staking heeft zowel de vakbondsbureaucratie een instrumentale verhouding met “hun” proletarische basis als andersom. Die fulltime vakbondbazen hoeven zelf niet door hen onderhandelde tarieven leven, voor hen is belangrijk dat een overeenkomst afgesloten wordt, waardoor ze co-managers van de kapitalistische uitbuiting worden. Voor de arbeidersklasse basis is de tariefuiteenzetting de enige legale manier om te staken. Vakbondsleden krijgen tijdens de werkonderbreking van de apparaten stakinggeld, waardoor het monopolie van de vakbondbazen over de proletarische klassenstrijd nog versterkt wordt. Read the rest of this entry »